|
Avant-garde en Design
in de Meubelkunst van de 20ste eeuw
In de Venetiaanse Gaanderijen Oostende loopt tot 11 maart 2001 een
machtige selectie meubelkunst of is het een expositie van kunstmeubels.
Geen idee. Maar Johan DESENDER van de gelijknamige zaak is commissaris en
dat garandeert enkele positieve benaderingen. Zoals: concrete voorbeelden,
voor een stuk nog in de handel en vooral documentair. Ik noem het graag
keuzeondersteunend voor de liefhebber van een stukje meubelkunst in eigen
interieur. Een geëxposeerd schilderij doet ook dromen en leidt vaak de
volgende aankoop.
100 jaar Design
Met ‘Het Avant-gardemeubel in de XXste eeuw’ maakt men geschiedenis
over geschiedenis. De voorbije 100 jaar werd tot nu meestal als een
globaliteit van feiten en pijn gezien. Of van onnavolgbare verftechnische
hoogstandjes. Literatuur was vloeiende poëzie. De overweldi-
gende evolutie in de filmografie ligt aan of is de basis van het
actueel gedrag. Communicatie op twee dimensies. En daartussen streelt
één van die vele miskende schone lijnen.
Voor de doorsnee genieter is architectuur steevast verbonden aan
tempels en kastelen en het eigen stukje huis met of zonder erf. De rest is
of te dwaas of te duur. Hetzelfde geldt voor de meubeltjes. De
functionaliteit van een klassiek meubel wordt vergeten voor het genie van
de versieringen. Het altaar wordt barmeubel, de dis wordt bureau. En
eigenlijk weer niet, want in die evolutieve betekenis wordt van de
bezitter of gebruiker geacht, dat hij of zij weet wat aan de oorsprong
ligt van het meubel. En dat is vaak teveel gevraagd. Bekijk de
interieurvorming maar van de 90% modale overbehuizing aan de rand van
iedere dorp. De pijn van een zoveelste kopie. De ontgoocheling is een
gelijnd huis dat verloopt naar een kitscherigheid die daarin zelfs geen
kunstzinnigheid kan zijn. Integendeel: het jong interieur is met de
kopiestukken en de Ikea-troost vaak mooier dan het gesettelde resultaat
van een van de zovele nieuwbouwvolumes. Pijn. Soms ook bij mij thuis.
Want zich ontzien van de leugen van namaak en smakeloosheid vraagt
minstens twee inspanningen: tijd en geld. En precies daar zou ik in
tegenstrijd zijn met de definitie van Design. Ik dacht namelijk dat een
mooi meubel prijzig of vaak onbetaalbaar moest zijn. Tot ik begon af te
wegen waar de denkfout gemaakt werd. Bij de appreciatie van het meubel als
kunst. Ik begreep wel dat grote architecten en vindingrijke tekenaars
elkaar op vernieuwende wijze aanvulden. De puur ambachtelijke
meubelstukken moesten niet meer als een familie traditie meeverhuisd
worden. Er mocht een nieuwe tijd in geschetst worden. Evenwijdig aan de
materialen en dus de vrijheden van de tijd. Van ruw hout tot klinkende
verf, schitterende buizen of achter stretch weggemoffelde spuitschuim.
Polyester als drager van een machtig liggend beeld en dus ook vleier van
het schone menselijk lichaam… in eigenzinnige rust.
4 zitvlakken die de wereld veranderden
Een viertal stukken zijn als hoofdstukken in dit boeiend beeldend
verhaal opgesteld.
-
De strak geometrische stoel van Mackintosh. In een periode waarin
Artdeco domineert, verstrakt hij de lijnen tot een fijnzinnige
ruststoel.
-
De ‘esthetische en functionele puurheid’ van de ‘rood-blauw’zetel
van Rietveld (1918) die in haar broosheid een dubbele bodem draagt.
Deze van duidelijke en deze van blijvende schoonheid. Red and Blue
die altijd een monumentale indruk nalaat maar in levende lijve heel
verfijnd tot op het randje van broos overkomt. Of: "Beantwoordt
eerder aan een oefening in kleur- en ruimtelijke harmonie dan dat
hij het achterwerk en de rug van de gebruiker verwendt."
-
Met de Popart komt een mengeling van experimenteren met ongelijke
materialen: polyurethaan als opblaasgas voor een luchtledig verpakte
stretchzetel van Gaetano Pesce uit 1969.
-
Ten slotte de polyester zetel La Chaise uit 1948 van Charles
Eames, gebaseerd op een liggende vrouwenbeeld van Gaston Lachaise.
Polyester waarin de perfecte vrouw perfect ligt.
D us: Design
met de D van Duur
of de D van Democratisch?
Wanneer we de voorbesprekingen van de tentoonstelling nazien en ter
aanvulling bij de andere teksten leggen, stellen we vast dat een meubel
moet voldoen aan een aantal criteria voor het aan het waardemerk ‘Design’
kan voldoen.
-
het ontwerp moet vernieuwend zijn wat vorm- en materiaalgebruik
betreft
-
het moet functioneel zijn.
-
het moet gebruikscomfortabel zijn
-
esthetisch en sober, zonder overbodige franjes
-
noem het uitgepuurde eenvoud
-
betaalbaar omdat de productie gestandaardiseerd opgestart kan
worden
Het gaat hem om een mentaliteit. Kan het ontwerp de tekentafel
overleven? Dus zal het origineel idee boven en na de kopies blijven
bestaan? Is de levende mens klaar om ook de denkende mens te worden die
weet waaraan hij bijzit, waarin hij neerligt of waarop hij zit?
Design in Oostende bekijk je best op drie niveaus. Deze van de
grandioze tentoonstelling waar in een per definitie te kleine ruimte een
opsomming meubelmeesterwerken getoond worden die meestal één voor één
aan mijn onwetend neusje voorbijgegaan zijn. Heel zeker ook de weg van de
catalogus die drie waarden heeft: het designmeubel wordt in de tijd
gesitueerd, de uitbeelding is van korte en precieze uitleg voorzien, en de
historiek van deze artistieke discipline wordt schematisch aangetoond. Dat
en de mooie ‘bibliofiele’ uitgave van die catalogus maken dat de
Stichting Kunstboek weer een pareltje gedrukt heeft. Er is een lange weg
afgelegd tussen de van oorsprong begin 19de eeuwse stoomgebogen
caféstoel naar het 10 Euro kostend ultieme stoeltje van Philippe Starck
en de .03 van Van Severen. Een evolutie die begon als revolutie tegen de
prutserigheden van een moraliserende eeuw over bon marché naar Stijl,
Massa, Buizen, Starck en voor onze kust iemand als Danny Vanheste als
ontwerpen en Johan Des(ign)ender als verspreider. Dat is dan drie.
Ik bedoel maar: het schalks blazoen van Johan Desender mag na deze
strijd voor het schone de leuze "Elpteki Zeggen" naast de andere
kunstwapenfeiten broderen. Wapenfeit gewonnen in een taal zo rijk als
Decortes ‘Amlett.’
André BAERT (December 2000)
|