|
ons SMuSKO-tje
HERMAN BELLAERT (1957-1996)
De laatste tentoonstelling van de verloren Herman Bellaert werd
uitgevoerd drie maand na zijn dood. 4 jaar later wordt de fatale
maand herdacht met een dubbelgebeuren. Het Kunsthuis presenteert
de toen recentste stukken, terwijl het Stedelijk Museum zich
toelegt op het retrospectieve karakter van die heel korte
loopbaan. Een carrière met een mooi hoogtepunt in de uitnodiging
voor Modernisme in Painting van het PMMK (1992), de plastische
gebeurtenis waar voor het eerst na lange tijd opnieuw de nadruk
gelegd werd op de combinatie modern en metier. Tijd en kunde in de
tegenwoordige tijd. En dat was een integer deel van Herman
Bellaerts afwegen van horizontale, verticale en diagonale lijnen,
waarbij de egale dikte spreekt over het vermoeden staketsel. En
vanaf dat besef zie je ook die robuuste zeewering in haar
gradaties van ingebeten zijn door zout, wier en zeepokken. Geen
folklore, geen marine, maar wel heel erg sterk. Hugo Brutin noemt
het essentieel, sober en ‘esthetisch’ maar is bang dat men hem
daarin verkeerd zal begrijpen. "Toch is het werk van Bellaert
zo afgemeten, harmonisch en op zijn manier sensueel en gevoelig,
dat de term esthetisch als het ware voor het grijpen ligt."
(Zeewacht 09.06.2000) En dat zoeken naar zuiverheid kreeg de derde
dimentie te pakken. Toevoegen van lood, doek, krijt, hout,… de
rest blijft verborgen.
Voor de volledigheid herzetten we hier de tekst die Herman
Bellaert in 1995 over zijn werk schreef. De cursivering is onze
benadrukking.
"Een toelichting geven bij mijn werk is geen gemakkelijke
zaak. Het is namelijk mijn overtuiging dat een kunstwerk in de
eerste plaats voor zichzelf moet spreken. Het gevaar bestaat dat
wanneer een kunstwerk wordt uitgelegd, meteen ook het mysterie
verdwijnt. Daarom wil ik geen poging ondernemen om mijn werk uit
te leggen. Het is bij voorbaat gedoemd om te mislukken. Tevens
denk ik – hoop ik – dat mijn werk voldoende eenvoudig is om
het ook zonder verklaring te kunnen vatten. Maar ik kan wel kort
de evolutie geven.
Het eerste wat opvalt aan mijn werk is het geometrische
uitzicht. De keuze om mij van horizontale en verticale elementen
te bedienen is evenwel geen echte keuze: het is niet zo dat ik op
een dag besloten heb eens geometrische werken te maken. Reeds in
mijn eerste schilderijen, die geïnspireerd waren op mijn
omgeving, reduceerde ik het onderwerp tot het strikt noodzakelijke
en interesseerde ik mij eerder voor het vlak dan voor de kleur. De
stap naar volledig abstracte schilderijen lag dus eigenlijk voor
de hand. Om het monumentale meer te benadrukken begon ik rond 1990
werken te maken met een reliëf, met een volume, zodat de grens
verviel tussen schilderij en sculptuur. Om nog meer beeldende
mogelijkheden ter beschikking te hebben, maak ik tevens gebruik
van bladlood, een materiaal dat mij door zijn kleur, textuur en
gewicht meteen aansprak; De combinatie van reliëf en bladlood,
verleent mijn werk een uitgesproken architecturaal, statisch
karakter. De ‘ordening’ van al deze verschillende elementen
is, vormelijk gesproken, zowat de basis van wat ik vandaag nog
steeds aan het uitdiepen ben.
Sommige van deze kenmerken zijn terug te vinden bij wat
kunsthistorisch ‘minimale kunst’ wordt genoemd. Het zou
bijgevolg verleidelijk zijn om mijn werk in dit vakje te
catalogeren. Maar, hoewel er parallellen zijn, hoed ik mij ervoor
om mijn werk ‘minimaal’ te noemen. Dit is volgens mij een te
enge omschrijving. Want, in tegenstelling tot minimale kunst is de
uiterlijke vorm voor mij geen einddoel, en is het steeds mijn
intentie om het werk een extra dimensie te geven. Deze extra
dimensie is evenwel moeilijk, in feite onmogelijk onder woorden te
brengen: de kracht van het beeld gaat immers verder dan de
omschrijving met woorden.
Samengevat: mijn werk is misschien minimaal van uitzicht, maar
wel spiritueel van inhoud.
Daarom past mijn werk in een Europese en niet in een
Amerikaanse traditie (hoewel er bij ‘minimal art’ vooral aan
Amerika gedacht wordt). Mijn artistieke wortels moet je dan ook
helemaal niet ver zoeken: het Oostendse staketsel, de zee in de
winter, de kleuren van Permeke, de onmetelijkheid van de horizon.
Toen ik eens langs de zee liep, stelde ik mij de vraag hoe ik,
als ik dat zou willen, het geluid van de zee zou kunnen weergeven
in een schilderij. Of, hoe zou ik stilte kunnen weergeven? Een
onmogelijke zaak natuurlijk. En toch is dit wellicht het eigenlijk
thema van wat ik maak: een zoektocht naar het ‘ultieme’ werk,
dat even intens is als de stilte. Dit werk zou een rustpunt kunnen
zijn in een chaotische wereld. Dit werk zou een tegengif zijn voor
alle drukte en alle lawaai wat we dagelijks ondergaan.
Bekijk mijn werk dan ook als een ‘hommage’ aan het
statische, aan het geluidloze, aan het oneindige, kortom aan alles
wat tegenwoordig in de verdrukking raakt door een teveel aan
lawaai. Een ode aan de stilte.
André BAERT
April 2001
|