Mijn eerste contact met werken van Jan
Van Wilgenburg was er een van een dominerende sensualiteit
bij het zien van zijn keramieke sculpturen die de
bevreemdende en aangrijpende esthetiek van een rijpe
lichamelijkheid opriepen. Mijn meest recente ervaring met
zijn schilderijen of beter gezegd wandsculpturen is er
daarentegen een van gerijpte spiritualiteit. Sensualiteit
en spiritualiteit: twee ogenschijnlijke antipoden die met
elkaar gemeen hebben dat de vorm de gedachte dient.
Het is daarnaast ook uiteindelijk niet
zo verbazingwekkend dat het zinnelijke en het spirituele
nauw met elkaar verwant zijn. Dat is trouwens heel
duidelijk te merken in het gehele beeldende oeuvre van Jan
Van Wilgenburg. Als ik mij niet vergis, dan heeft hij,
sinds hij in Watou is aangekomen en er zich heeft
gevestigd, omringd door honderden objecten en
aanwezigheden, geen keramisch werk meer gemaakt. Daarom is
het zo boeiend dat zijn recente schilderijen en zijn
vroegere beelden hier samen aanwezig zijn, zodat men zich
kan verbazen over een vormelijke diversiteit die toch een
geestelijke eenheid blijk te zijn.
De keramieken van Jan Van Wilgenburg
zijn sierlijk en realistisch tegelijk. Ik ben ervan
overtuigd dat zowel hun ritmiek als de uitstraling van hun
door de tijd en de ervaringen getekend zijn velen onder
ons zullen beroeren. Voor mij waren zijn vrouwelijke
gestalten een revelatie. Ik werd getroffen door hun
vertederende buik die vergankelijkheid evoceert, een zacht
in zich opnemen van vreugde en verdriet suggereert, van
passie en tengere dichtgegroeide blessures en nog veel
meer. Zoals de bronzen van Christian Leroy, zo ontroerde
mij de naar de mens verwijzende vaart van zijn sculpturen.
Ik heb Jan Van Wilgenburg pas jaren
later hier in de Peperbusse leren kennen, een Hollander
met een artistieke hoed en een mooie vrouw in de
achtergrond.
Ik dacht dat hij ouder was omdat ik in
mijn schuldige argeloosheid geneigd ben ouderdom en
ervaring op een gelijke hoogte te plaatsen. Ik had iemand
ontdekt die net zoals ik meer oog had voor de identiteit
en de onweerstaanbare charme van een getekend lichaam dan
voor de kille glamour van wat als perfect wordt omschreven
of erger nog, dat via niet eens discrete ingrepen
nostalgisch naar een vorm van uiterlijke volmaaktheid
streeft of naar een pseudo-jeugdigheid.
U hebt allen ongetwijfeld al vaak
keramieken beelden gezien en hebt daarbij kunnen
vaststellen dat veelal lovenswaardige inspanningen worden
geleverd om de materie te laten spreken en haar een
korrelige of andere uitstraling te geven. Het gevoel dat
een inspanning werd geleverd om een voortreffelijk
resultaat te bereiken is hier niet aanwezig. De beweging
van het lichaam, van een liggend naakt bijvoorbeeld of van
het schitterende hier aanwezige schuin rechtopstaande
bronzen beeld met de kenmerkende titel ‘De kracht van
het zijn’ of van een torso, is een zo evident en tevens
welsprekend gegeven dat mag worden geconcludeerd dat de
kunstenaar het bij manier van spreken in zijn handen
heeft, dat hij zijn beelden, als het ware spontaan, een
elegant wellustige eigenheid kan geven, dat hij de zinnen
van de kijker onweerstaanbaar kan strelen.
Hoewel de vormentaal en de uiterlijke
thematiek van zijn sculpturen helemaal anders is dan die
van zijn schilderijen, toch hebben zij veel met elkaar
gemeen. Zij refereren aan vergankelijkheid en aan het
aftakelen in de adem van de tijd, wat schoonheid of een
esthetische ontroering echter niet in de weg staat. Zij
vallen op door een schuine ritmiek, die in de ruimte wordt
opgenomen, en die ongetwijfeld met de creatieve emotie van
de kunstenaar te maken heeft. Zij zijn nauwgezet opgebouwd
en bezitten niettemin een wijds en lyrisch elan, een
fundamentele vaart. Zij reflecteren de authenticiteit van
iemand die dan nog van zichzelf beweert dat hij slechts
een instrument is van een hogere kracht. Dat zijn wij
allen een beetje, maar hij geeft dat gevoel een bredere
dimensie.
Zijn schilderijen of noem het
tweedimensionale assemblages rond een dominante betekenis
of een concrete ervaring zijn samengesteld uit tientallen
elementen die men veelal als objets trouvés omschrijft.
Het vreemde en boeiende daarbij is het feit dat uit die
barokke ontmoeting van zink en lood, van spiegeltjes,
collages van papier en van vergane kledij, van sluiers van
roest en stukjes dierenskelet, van zuiltjes en ornamenten,
van licht en donkerte, dat uit die hartstochtelijk
bijeengebrachte puinhoop een eenheid groeit, een beeld
ontstaat, een structuur verschijnt die inderdaad aan het
protserige van een kerk of van een religie doet denken,
aan de sereniteit van wat door het boeddhisme wordt
aangeraakt, aan ruimtelijkheid, aan leven en dood, aan
klassieke abstractie in zijn stad van zink met opnieuw
zijn karakteristieke schuine ritmiek en zijn picturale
allure.
Men voelt de geestelijke ondertoon in
zowel het barokke als het uitgepuurde, in de esthetiek van
verfrommelde kledij in Oosterse tinten, in tastbare
zinspelingen en verborgen gefluister, in ogenschijnlijk
totaal van elkaar verschillende brokjes materie die zich
uiteindelijk met elkaar verzoenen, in wat autonoom als een
krachtige compositie kan worden aanzien, in een rustige
harmonie die uit tientallen vleugjes onrust is gegroeid.
De schilderijen van Jan Van Wilgenburg
zijn retabels gewijd aan weemoed en hartstocht, aan
harmonie en heropstanding, aan wat de tijd liefdevol heeft
omkneld en aan wat wij als de geestelijke metamorfose van
de dingen van iedere dag zouden kunnen omschrijven. Dat
belet niet dat zij ook op beeldend vlak merkwaardig en
uniek mogen worden genoemd.
Hugo Brutin
Gallerie De Peperbusse
24 januari 2004