|

|
MUSEUM
VOOR MODERNE KUNST |
|
VIER REALITEITEN
(André BAERT) |
|
Oostende - Van 23 maart tot 16 juni 2002 loopt
in het PMMK een kwartet bovenrealistische kunstuitingen.
Boven de realiteit met museaal werk van Ergin Inan, Desmond
Morris, Emile Salkin en Clovis Trouille. Conservator Willy
Van den Bussche legt het duidelijk uit in zijn persmap, zegt
de charmante persverantwoordelijke van het Museum voor
Modernen Kunst, PMMK, wanneer ze rond 1O uur van de trappen
stormt of na de middag vers gevoed langs het onthaal
richting kantoor snelt. Ze zegt dat en nog veel meer, want
ze houdt van haar pennenruiters. En die doen alles voor
haar, op zijn minst al voor hààr Salkiniaans mooie ogen.
Ik bedoel maar. In dit tijdschrift kan alles, wat in een
papieren versie die niet gelezen wordt niet kan. U vraagt
dus naar de eerste indruk. Overdonderend in twee
betekenissen.
Eerst en vooral door de vreemde indruk die
door het museum zweeft. Dat soort surrealisme was noch bij
Delvaux en co, noch bij Magritte te zien. Dit is een andere
wereld van even tevoren of van tussenin. Losser dan de
gevestigde waarden en misschien dichter bij de droedelsfeer
van de ‘écriture automatique’ sfeer die zo scheppend is
voor de avant-gardisten. De voorgarde in de zin van
aanstokers die een idee nog niet meteen in alle technische
proporties kunnen uitwerken omdat ze gewoon niet kunnen
weten dat zij de start van het betere en het nieuwe zijn.
Dat geldt zeker voor een Salkin en een beetje voor de
spot van Trouille. Maar voor Morris en Inan gaat dat
helemaal niet op. Zij zijn postsurrealist, dus snoepers die
iets anders ervan gebakken hebben of neo’s die vernieuwing
in een oude taal brengen.
Vandaar dat de slotwoorden van de conservator profetisch
zijn: "Deze vier zeer boeiende tentoonstellingen zijn
los van elkaar te zien, maar wel naast te elkaar te
bezoeken."
Daarna een
overdonderende indruk door de massa aan werken. Ik bedenk nu
al de negatieve kritieken, zelfs in de betere pers. Ergens
zal de conservator een bedoeling hebben met deze steeds
terugkerende opstelling. Misschien is het wetenschappelijke
belangrijk, of is er het klassieke van een museale waarde
waar men kijkt naar de werken en niet naar de presentatie.
Er is inderdaad vaak geen plaats voor een recule maar in de
totaliteit zijn de sterk belichte werken prominent in de
lange lijn. Misschien wil hij bij Salkin het fresco idee
behouden,... misschien is het gewoon zijn karakter, weet ik
veel.
Laat maar. Geniet van
ERGIN INAN
DESMOND MORRIS
EMILE SALKIN
CLOVIS TROUILLE
De expositie loopt van 23/3/2002 tot 16/06/2002,
dagelijks – niet op maandag – van 10 tot 18 uur
info op: tel 00/32/59/59.50.18 fax 00/32/59/80.56.26
www.pmmk.be
|
|
ERGIN INAN
De inkom van het Museum voor Moderne Kunst wordt
spetterend gedomineerd door twee obelisken of sarcofagen ter
ere van of ter nagedachtenis aan de geschreven schoonheid
van Turkije en de vrij loop van de insecten. Daarmee bedoel
ik dat Ergin Inan ( Malatya Oost-Turkije 1943) de wereld van
de insecten die hij van kindsaf aan gefascineerd gevolgd
heeft incorporeert in het patroon van de menselijke
gedragingen. Een denkpiste waar ik me altijd een beetje
(veel) moeten naar kronkelen, want je moet uit je eigen
cocon overstappen naar de fantasie en het geheimzinnige van
een wereld die ik niet zelf kan beleven. Maar waar je je
kunt of moet inleven en dus ruimweg kunt fantaseren. Een
denkniveau dat typisch is voor het surrealisme dat aan de
basis ligt van dit kwartet.
De structuur is een gelijkmatige stap van verticaal
opgestelde lofuitingen aan het schone van de kaligrafie, het
fonkelend juweel, de mythologische libel en kever, met een
heel frisse tint kitsch in de indruk van goud of
synthetische vlekken die precies plastiek willen zijn in de
verborgen of verkleurde portretten. Ik denk vaak extreem
wanneer ik langdurig bij kunstwerken blijf. Dan zie ik
patchwork van het natuurlijke en het onnatuurlijke in de
harmonie van de techniek. Met naakte vrouwen die niet eens
mooi zijn maar alle strengheid uit de mythologie uitstralen.
Schetsmatig, want Inan Ergin is een gedreven tekenaar die in
de meest overtuigende spontane werken (bijvoorbeeld een
overmaatse hand) de vlekken schaduwen meegeeft. Fijn,
perfect, volledig, af en in de prachtige analyses van het
lichaam nadert hij het plastinate effect met een meerwaarde
die het geheel tot een intiem aftasten van het werk
verplicht. |
Mens en insect, hier en hierna, iconografie en afscheid
in een soort surrealiteit die door zijn niet direct
West-Europese aard versterkt wordt naar een oorspronkelijker
wereld waar wij, Noordzeejutters, alleen het juweel en het
goud van begrijpen.
(publicaties:
"Irgin Inan" van Kiymet Giray, 335 blz., 256
kleurafbeeldingen, 10 zwart-wit afbeeldingen. Engelstalig
met een aparte publicatie n.a.v. deze expositie met teksten
van Van den Bussche, Emiel Hoorne en Istemihan Talay, 123
blz.)

|
|
DESMOND MORRIS

Toegegeven. De naam Desmond Morris ( Purton, Engeland
1926) lokt volk. Ik hoopte de man zelf te kunnen zien maar
moest me tevreden stellen met een videoreportage waarin hij
zo typisch, met de foutloze intonatie en met dat soms
trekkend mondje en knipperend oogje dat het zacht summum van
ontdekking moet voorstellen. Zonder pretentie maar
zelfzeker. Je kan je dus niet los maken van zijn
begeesterende présence op het mediatieke vlak. Een man die
heel veel te vertellen heeft en dat dan op een bijna
anekdotische wijze ontlaadt naar het niveau van jij en ik,
de pampastrotters, de ramblisten, de strandjutters die
eigenlijk veel nadenken maar vaak te ‘intuïtief’ de
klepel en de klok uit het oog verliezen. Uit de taal en de
mimiek van Desmond Morris krijgt ieder object een eigen
unieke identiteit.
Hetzelfde gebeurt met zijn schilderijen. Ook hier is hij
een beschrijvend en een innoverend verteller die nu het
schone ontschrijft naar kunst. Hij heeft een natuurtalent
dat de grondigheid van studie, de
EMILE SALKIN
Emile Salkin (Brussel 1900-Cotignac, France, 1977) is het
ruimst vertegenwoordigd in het Museum voor Moderne Kunst.
Hij wordt aangekondigd als de belangrijke voorloper van de
Popart die ook Paul Delvaux begeleidde. Samen hebben ze de
skeletten gemeen. Maar terwijl Delvaux wereldberoemd is
vanuit Sint-Idesbalde, bleef Salkin in de heuvels achter
Nice een steeds meer vergeten Franssprekende Belg die zeker
een tekentechnische link met of naar Delvaux zou kunnen
zijn. Kijk maar in de ogen van de wulpse vrouwen. De
catalogus ‘Van Ensor tot Delvaux’ zet Salkin in de
biografie voor 1954-1956 wanneer ze samen een monumentale
trompe-l’oeil maken in Brussel. Maar terwijl Delvaux met
halfnaakt bovenlijfje door Veurne poseert – kent u Veurne?
! – heeft Salkin een boodschap voor een wereld die te
weinig luistert. Over de omgeving en de chaos, over leven en
dood, over erotiek die hoe dan ook tot chaos leidt en een
andere chaos die culmineert in de lijnen van een
benzinestank tussen Brussel en Oostende. Een anti-globalist
avant la lettre?
In ieder geval een schetser van zijn tijd in kledij,
lichaamsversiering, erotiek die pure seksualiteit wordt
wanneer de vrijheid alles overwonnen heeft en Sartre de
andere opnieuw te berde moet brengen. L’Enfer... ligt zo
dicht bij de huisdichte naadloze panty’s. In voertuigen
die hij als volprezen visionair maar zo gelijnd
onromantisch, dus niet zoals een Jules Vernes, knel laat
rijden, verstart tussen letterlijke of figuurlijke
zwaargewichten. Een overdonderende olifant zet de vorm naar
het woord: poids lourds
Een meesterlijk tekenaar die in die kleinen wereld van
het tijdsdocument een nieuwe tijdsvak maakt met allusies
naar Picasso (paarden), Gauguin (bruintinten), Ensor
(geraamten) en uiteindelijk ook onduidelijk met of naar
Delvaux.
|
Omdat zijn tekeningen en schilderijen met ‘benige
cellen in onbestemde ruimtes’ een geslaagde hommage zijn
aan Miro. En dat stoort niemand, zeker hemzelf niet, die
weet dat aan alles iets voorafgaat. extase van ontdekking en
de frivoliteit van beeld hanteert met een schandalige
zekerheid die hem naast de grootten uit het kunstenaarsboek
zet. Vandaar deze twee passages uit de persmap: "Zijn
kunst bestaat uit een spel van associaties die hem door zijn
exploratiezin worden ingegeven." En: "Men kan er
dus van uitgaan dat Desmond Morris juist door zijn
antropologische ingesteldheid en achtergrond geïnspireerd,
een andere inhoud kan geven aan de uiterlijke
verwantschappen."
En dus: welkom aan de Angelsaksische Miro. Met de
organische wezentjes die uit de microscoop verglijden of uit
de menhir naast zijn geboorteplaats verstoten werden naar
zijn fantasie, aangedikt met de oude prenten over
maagknobbels en darmen. Een naar oorsprong vormloze massa
die opgedeeld elk een personage worden in een stoeltjesdans
over relaties, vorm, samenzijn, optochten, besprekingen, ...
Door de pertinente vereenvoudiging zijn de sjablonen van
organisch leven de andere personages van de schilderkundige
reportages die uitblinken door hun frisse en scherp
afschermende kleuren.
Daarnaast zijn er de macro impressies of net omgekeerd
microscopische uitvergrotingen in vlakker kleuren die meer
naar het abstracte wenken. Hun monumentaliteit bestaat door
de minimalisering van het verhaal. Minimaliseren tot
strengen, vlekken, toetsen en omcirkelingen van misschien
wel toevallige verfvlekken. Desmond Morris toont dus twee
werelden in het PMMK. De frivoliteit van de surreële
darmknobbels en de ernst van microscopische hertekeningen.
(publicaties:
‘The Naked Surrealism, Dr. Silvano Levy, 240 blz., 137
kleurafbeeldingen, 31 zwart-wit afbeeldingen, door het PMMK
in het Nederlands vertaald (64 blz.) met een inleiding door
W. Van den Bussche.)

Het dansfeest van de geraamtes in de koele zalen van een
natuurhistorisch museum heeft nu veel van een
computer-superproductie van Richard Attenborough. Een
decadentie, een dynamiek, een contradictie. Zweet over de
tango van de dood.
En dan plots openbreken naar de kleuren van een zuiders
land; Spanje. Blauw. En de tergend mooie zwart-wit
composities van stieren met horens of de overdaad van zwarte
vlekken met poten met daarop de frisse lange witte horens.
(publicaties:
Tentoonstellingscatalogus ‘Emile Salkin’ met teksten
van W. Van den Bussche, Hubert Nyssen (ook bij Delvaux
gelezen), Joost de Geest, Jacky Legge, Marc Secret,
Jacqueline Chardon-Lejeune en Fréderic Altmann. 152 blz.,
155 kleur en zwart-wit illustraties)
|
|
CLOVIS TROUILLE
Pas wanneer je de derde etage van het PMMK betreedt val
je letterlijk in een zwart gat. Gemaakt door Clovis Trouille
(1889 La Fère – Parijs 1975) die zichzelf een
zondagschilder noemt die pas na 1930 op de lopende band van
het surrealisme stapt maar slechts van de rayons van
antimilitarisme en antiklerikalisme proeft. Een surrealist
met een politieke houding die in zijn plastische anarchie
weinig respons krijgt en supersurrealistisch moet wachten op
postume erkenning. Eenzaam op de derde verdieping.
|
Maar daar is hij dan ook veeleisend, eigenaardig, vreemd,
een beetje afstotend door de obsessie voor een onderwerp dat
nu heel gewoon geworden is maar toen gewaagd was. Het
antimilitarisme is achterhaald en wordt nu alleen nog
herkend omdat het ook in Kuifje staat.
De aanval op de clerus daarentegen is hard en scherp.
Drie bananen voor drie kloosterlingen? In de zwarte
sarcofaag met puntlichten is het aanschuiven voor de
één-beeld-strips die opgebouwd werden rond een combine van
overschilderde collages, fotografische inlassingen waardoor
de tekeningen haarscherp echt zijn, maar ook altijd de
nasmaak van ‘déjà vu’ laten. Reeds gezien maar
voorzien van een duivels stigmatisch stipje op borst of
wang. Europees, Afrikaans of gewoon exotisch gelijk.
Hier staat de inhoud centraal. En die is zo exact dat het
alleen naar titels vertelbaar wordt. Echter dan echt
mogelijk of superrealistisch. Wat later koeler hyperrealisme
zal worden. En dat kan hier niet. Je moet kijken.
(publicaties:
‘Parcours à travers l’oeuvre de Clovis Trouille’,
288 blz., 350 kleurafbeeldingen, met teksten van Clovis
Prévost, Bernard Marcadé, en voorzien van een vertaling
met inleiding van W. Van den Bussche. |
|
DESMOND MORRIS

Toegegeven. De naam Desmond Morris ( Purton, Engeland
1926) lokt volk. Ik hoopte de man zelf te kunnen zien maar
moest me tevreden stellen met een videoreportage waarin hij
zo typisch, met de foutloze intonatie en met dat soms
trekkend mondje en knipperend oogje dat het zacht summum van
ontdekking moet voorstellen. Zonder pretentie maar
zelfzeker. Je kan je dus niet los maken van zijn
begeesterende présence op het mediatieke vlak. Een man die
heel veel te vertellen heeft en dat dan op een bijna
anekdotische wijze ontlaadt naar het niveau van jij en ik,
de pampastrotters, de ramblisten, de strandjutters die
eigenlijk veel nadenken maar vaak te ‘intuïtief’ de
klepel en de klok uit het oog verliezen. Uit de taal en de
mimiek van Desmond Morris krijgt ieder object een eigen
unieke identiteit.
Hetzelfde gebeurt met zijn schilderijen. Ook hier is hij
een beschrijvend en een innoverend verteller die nu het
schone ontschrijft naar kunst. Hij heeft een natuurtalent
dat de grondigheid van studie, de
EMILE SALKIN
Emile Salkin (Brussel 1900-Cotignac, France, 1977) is het
ruimst vertegenwoordigd in het Museum voor Moderne Kunst.
Hij wordt aangekondigd als de belangrijke voorloper van de
Popart die ook Paul Delvaux begeleidde. Samen hebben ze de
skeletten gemeen. Maar terwijl Delvaux wereldberoemd is
vanuit Sint-Idesbalde, bleef Salkin in de heuvels achter
Nice een steeds meer vergeten Franssprekende Belg die zeker
een tekentechnische link met of naar Delvaux zou kunnen
zijn. Kijk maar in de ogen van de wulpse vrouwen. De
catalogus ‘Van Ensor tot Delvaux’ zet Salkin in de
biografie voor 1954-1956 wanneer ze samen een monumentale
trompe-l’oeil maken in Brussel. Maar terwijl Delvaux met
halfnaakt bovenlijfje door Veurne poseert – kent u Veurne?
! – heeft Salkin een boodschap voor een wereld die te
weinig luistert. Over de omgeving en de chaos, over leven en
dood, over erotiek die hoe dan ook tot chaos leidt en een
andere chaos die culmineert in de lijnen van een
benzinestank tussen Brussel en Oostende. Een anti-globalist
avant la lettre?
In ieder geval een schetser van zijn tijd in kledij,
lichaamsversiering, erotiek die pure seksualiteit wordt
wanneer de vrijheid alles overwonnen heeft en Sartre de
andere opnieuw te berde moet brengen. L’Enfer... ligt zo
dicht bij de huisdichte naadloze panty’s. In voertuigen
die hij als volprezen visionair maar zo gelijnd
onromantisch, dus niet zoals een Jules Vernes, knel laat
rijden, verstart tussen letterlijke of figuurlijke
zwaargewichten. Een overdonderende olifant zet de vorm naar
het woord: poids lourds
Een meesterlijk tekenaar die in die kleinen wereld van
het tijdsdocument een nieuwe tijdsvak maakt met allusies
naar Picasso (paarden), Gauguin (bruintinten), Ensor
(geraamten) en uiteindelijk ook onduidelijk met of naar
Delvaux.
|
Omdat zijn tekeningen en schilderijen met ‘benige
cellen in onbestemde ruimtes’ een geslaagde hommage zijn
aan Miro. En dat stoort niemand, zeker hemzelf niet, die
weet dat aan alles iets voorafgaat. extase van ontdekking en
de frivoliteit van beeld hanteert met een schandalige
zekerheid die hem naast de grootten uit het kunstenaarsboek
zet. Vandaar deze twee passages uit de persmap: "Zijn
kunst bestaat uit een spel van associaties die hem door zijn
exploratiezin worden ingegeven." En: "Men kan er
dus van uitgaan dat Desmond Morris juist door zijn
antropologische ingesteldheid en achtergrond geïnspireerd,
een andere inhoud kan geven aan de uiterlijke
verwantschappen."
En dus: welkom aan de Angelsaksische Miro. Met de
organische wezentjes die uit de microscoop verglijden of uit
de menhir naast zijn geboorteplaats verstoten werden naar
zijn fantasie, aangedikt met de oude prenten over
maagknobbels en darmen. Een naar oorsprong vormloze massa
die opgedeeld elk een personage worden in een stoeltjesdans
over relaties, vorm, samenzijn, optochten, besprekingen, ...
Door de pertinente vereenvoudiging zijn de sjablonen van
organisch leven de andere personages van de schilderkundige
reportages die uitblinken door hun frisse en scherp
afschermende kleuren.
Daarnaast zijn er de macro impressies of net omgekeerd
microscopische uitvergrotingen in vlakker kleuren die meer
naar het abstracte wenken. Hun monumentaliteit bestaat door
de minimalisering van het verhaal. Minimaliseren tot
strengen, vlekken, toetsen en omcirkelingen van misschien
wel toevallige verfvlekken. Desmond Morris toont dus twee
werelden in het PMMK. De frivoliteit van de surreële
darmknobbels en de ernst van microscopische hertekeningen.
(publicaties:
‘The Naked Surrealism, Dr. Silvano Levy, 240 blz., 137
kleurafbeeldingen, 31 zwart-wit afbeeldingen, door het PMMK
in het Nederlands vertaald (64 blz.) met een inleiding door
W. Van den Bussche.)

Het dansfeest van de geraamtes in de koele zalen van een
natuurhistorisch museum heeft nu veel van een
computer-superproductie van Richard Attenborough. Een
decadentie, een dynamiek, een contradictie. Zweet over de
tango van de dood.
En dan plots openbreken naar de kleuren van een zuiders
land; Spanje. Blauw. En de tergend mooie zwart-wit
composities van stieren met horens of de overdaad van zwarte
vlekken met poten met daarop de frisse lange witte horens.
(publicaties:
Tentoonstellingscatalogus ‘Emile Salkin’ met teksten
van W. Van den Bussche, Hubert Nyssen (ook bij Delvaux
gelezen), Joost de Geest, Jacky Legge, Marc Secret,
Jacqueline Chardon-Lejeune en Fréderic Altmann. 152 blz.,
155 kleur en zwart-wit illustraties)
|
|
CLOVIS TROUILLE

Pas wanneer je de derde etage van het PMMK betreedt val
je letterlijk in een zwart gat. Gemaakt door Clovis Trouille
(1889 La Fère – Parijs 1975) die zichzelf een
zondagschilder noemt die pas na 1930 op de lopende band van
het surrealisme stapt maar slechts van de rayons van
antimilitarisme en antiklerikalisme proeft. Een surrealist
met een politieke houding die in zijn plastische anarchie
weinig respons krijgt en supersurrealistisch moet wachten op
postume erkenning. Eenzaam op de derde verdieping.
|
Maar daar is hij dan ook veeleisend, eigenaardig, vreemd,
een beetje afstotend door de obsessie voor een onderwerp dat
nu heel gewoon geworden is maar toen gewaagd was. Het
antimilitarisme is achterhaald en wordt nu alleen nog
herkend omdat het ook in Kuifje staat.
De aanval op de clerus daarentegen is hard en scherp.
Drie bananen voor drie kloosterlingen? In de zwarte
sarcofaag met puntlichten is het aanschuiven voor de
één-beeld-strips die opgebouwd werden rond een combine van
overschilderde collages, fotografische inlassingen waardoor
de tekeningen haarscherp echt zijn, maar ook altijd de
nasmaak van ‘déjà vu’ laten. Reeds gezien maar
voorzien van een duivels stigmatisch stipje op borst of
wang. Europees, Afrikaans of gewoon exotisch gelijk.
Hier staat de inhoud centraal. En die is zo exact dat het
alleen naar titels vertelbaar wordt. Echter dan echt
mogelijk of superrealistisch. Wat later koeler hyperrealisme
zal worden. En dat kan hier niet. Je moet kijken.
(publicaties:
‘Parcours à travers l’oeuvre de Clovis Trouille’,
288 blz., 350 kleurafbeeldingen, met teksten van Clovis
Prévost, Bernard Marcadé, en voorzien van een vertaling
met inleiding van W. Van den Bussche.) |
|
|