|
De jury werd voorgezeten door Hoofdconservator Willy Van den
Bussche. Daarbij: Antje von Graevenitz uit Amsterdam,
kunsthistorica en curator uit Barcelona Lluïsa Borràs, assistent
directeur Ludwigmuseum Keulen Evelyn Weiss, gerenomeerd
kunstpublicist Edward Lucie-Smith en onze eigen Conservator
Norbert Hostyn.
De Finse Mäki-Arvela Heli schoot de hoofdvogel af met
twee reeksen klein formaat schilderijen waarin een in tijd heel
beperkte activiteit te zien is. In de ene is er een kus, in de
andere twee personen die elkaar een hand geven. Er wordt iets
gedaan in die geschilderde synopsis van een te bewaren
vaststelling. Een hand geven is samenzijn, together, dus vanuit
een afstand van elkaar naar elkaar toe groeien. Idem voor de kus.
Maar er is een doorgedreven toon van vluchtigheid omdat er een
soort overflow effect ingelast is; Beseffen dat de positieve
activiteit, samen komen en zoenen, eigenlijk met opzet in beeld
gebracht worden. Om bewaard te worden, om via een soort medium als
bewijs van de goede menselijke intenties overeind te blijven. En
dat maakt deze twee reeksen zo pijnlijk futiel, zo nutteloos, zo
bedrieglijk.
De Amsterdammer Mattijs Van den Bosch - nummer twee - is
minder omslachtig is zijn benadering van een maatschappij die fake
is, die bestaat uit sterk virtuele situaties die vermediatiseerd
worden tot het hoogste geluk. En dan heb je 4 figuren op een rij.
Rugzicht. 3 in een houding van relatief aandachtig wachten,
terwijl ééntje zijn hoofd bolkoel op de nek houdt. Het
totaalbeeld van onzekerheid? Jan Guillemin (Tijdingen 07.07.2000)
denkt aan eenzaamheid, de jury spreekt over melancholie. Het
tweede werk is een wandelaar die duister van rechts naar links
over het doek heengaat. De suggestie van afgaan. Zonder bepaald
doel. Zonder titel
Nummer drie is de Brit Tim Beeby – whats in a name dus
– die stoeit met merkkledij zoals je speelt met puzzelblokjes
die op elk van hun 6 kantjes een ander fragment van een tekening
hebben. Je kunt ze ook door elkaar gebruiken en dan heb je
bijvoorbeeld het hoofd van een man (blok 1) met daaronder een
naakte vrouwenborst (blok 2) en daaronder de gecentreerde taille
van een zijde-ingesnoerd paar benen (blok 3). Geen enkele past of
het is in de absurditeit dat het aangename van die werken ligt.
Humor, aanklacht tegen overconsumptie van merkkledij met erotische
pretenties. Alleen vervalt die sexy look samen met disproporties.
Of: de hedendaagse uiterlijkheden passen niet in het geheel van
een positieve menselijke evolutie.
En zo hebben we de indruk dat dit een zeer geëngageerde
expositie is. Neen: de verhalen hebben een sociale laag maar dat
engagement kan je beter op andere plaatsen gaan zoeken. Gevoel
voor milieu bij Andreas Bausch, de suggestie van verval bij
Michaël Borremans en Hjalmar Riemersma, het desolate van Vincent
Solheid, Ulrike Bolenz en uiteraard in de holle architectuur van
Koen Van den Broek. De catalogus heeft een duidelijk beeld van de
inhoud. Het is alleen moeilijk de monumentaliteit van bepaalde
werken in te schatten. Maar daarom moet je dus de tentoonstelling
zelf gezien en meegemaakt hebben.
Verscheidenheid aan woorden en waarden
In de inleiding ‘Kunst in de spiegel van de tijd’ noteert
de juryvoorzitter dat dit … "een tijd (is) waarin de
hightech hoogtij viert en de schilderkunst als ambachtelijk en
ouderwets wordt versleten. Niets is echter minder waar, de
schilderkunst en het daaraan verbonden ambachtelijk kunnen wortelt
in de traditie van het creatieve denkproces van de mens sinds de
prehistorie en vindt vandaag nog steeds en ruimschoots zijn
neerslag in tal van werken al dan niet op conventionele wijze
uitgevoerd… Als gulden regel kan men vooropstellen dat waar de
schilderkunst faalt men andere middelen gebruikt…. Dat daaruit
gemengde technieken voortvloeien, is in het verleden al talrijke
keren bewezen. En dat is goed ook want daardoor krijgt de
schilderkunst telkens weer nieuwe impulsen ingegeven…. De vraag
kan worden gesteld waar de kunst eindigt of begint en waar de
grens kan worden getrokken tussen sensatie, kunst en
entertainment."
Tot hier klinkt het beredeneerd. Dan komen de woordelijke
finesses: "… Amuseerfascisme (Peter Sloterdijk)… de
manier waarop bepaalde critici en filosofen zichzelf centraal
stellen en proberen de kunstscène naar hun hand te zetten, wijst
soms sterk in die richting…. De strijd tegen de goede smaak
heeft een nieuwe smaak in de mond gelegd die veeleer smaakt naar
beter!" Schilderkunst dus. Dat heeft de jury gezocht en
gevonden in de laureaten, maar is de volgende stelling die
burgemeester Vandecasteele noteert in zijn inleiding de juiste?
"De geselecteerde werken zijn dan ook representatief voor de
Europese schilderkunst aan de vooravond van een nieuwe eeuw."
Waar Hugo Brutin bij de bekendmaking van de winnaars neutraal
rapporteert, moet hij naar aanleiding van de volledige
tentoonstelling een aantal markante vaststellingen doen (Zeewacht
circa 09.09.2000): "De laureaten (geven) niet bepaald blijk
van frappante picturaliteit en verheven ambachtelijk kunnen zoals
de jury aangaf…. Het is ons opgevallen dat de jury bij haar
commentaar over de laureaten geen woord repte over
schilderkunstige kwaliteiten en eerder uitmuntte in interpreteren
dan in kritisch benaderen…." De dofheid die uit de
bespreking van Hugo Brutin volgt, heeft te maken met de
selectiewijze (1350 dia’s): "De ondanks materiële bezwaren
verwerpelijke methode van het preselecteren op basis van dia’s
heeft er opnieuw toe geleid dat bijvoorbeeld gevoelige monochromie
of bijna monochromie en geraffineerd schilderkunstig talent geen
kans krijgen en dat ronduit slecht geschilderde en kitscherige
doeken de selectie van de Europaprijs ontsieren."
De Europaprijs als unieke verzameling .
Heeft een dergelijke Europaprijs dan een bestaanswaarde en
bestaansreden? Natuurlijk. Maar ik wil een paar feiten op een
rijtje. Bijvoorbeeld hoe is de Europese bekendheid van deze prijs,
hoe en waar wordt ze aangekondigd, hoe is de representatie van
iedere lidstaat en is er geen te groot overhelling naar één land
of cultuurgebied, is de beloning realistisch, moet er geen grotere
Europese uitstraling aan gegeven worden ….En zou het nu niet
nodig zijn die zeer rijke en inderdaad tijdsgebonden dus
historische collectie Europaprijswinnaars in een afzonderlijke
grote ruimte te tonen, eventueel op een afzonderlijke locatie,
heel goed bereikbaar en onder de goede van het
cultuurwetenschappelijke werk van conservator Norbert Hostyn. Is
de jurering realistisch, zijn die dia’s inderdaad niet dwaas
maar worden ze des al niet te min bewaard in een (afzonderlijk)
archief? En de ganse administratie die meer dan waarschijnlijk een
schat aan informatie en anekdotes bevat. Wie bundelt het verhaal
en giet het in een comfortabele vorm?
En zo kom ik dan bij de herhaalde waardering voor het Stedelijk
Museum voor Schone Kunsten Oostende, zo snoezig smusko genoemd.
Tweeledigheid. De vaste collectie. Daarin zitten twee luiken. De
oudere (ik durf momentele niet spreken over ‘klassiekere’)
kunst waarin de oorspronkelijk collectie zit, aangevuld met giften
en legaten, en de niet hedendaagse Grote Oostendenaars rond Ensor.
Dan deel twee met de hedendaagse of moderne Oostendenaars.
Daarnaast zijn er de wisselexpositie die ofwel thematisch zijn
vanuit het eigen bezit ofwel opgetrokken worden voor of rond een
gastexposant. Dus als je alles goed optelt, dan is dit een zeer
actief museum. Waarom ben ik er dan zo stil rond? Misschien ligt
het aan de nostalgie naar de vaste collectie. En dan ben ik
gelukkig met de tijdelijke accrochages, zoals…
Accrochages
. over die Europaprijs (van 09.09 tot 12.11.2000). 16
waardevolle stukken die eerst een heldere herinnering zijn aan de
bijna 40 jaar jonge traditie die uit de schoot van creatieve
lokale politici ontstaan is. Ik zie dan deftige vernissages voor
me met veel tabak, grote woorden en afstandelijkheid tussen de
prominenten en de losse bezoeker. Maar ook dat is tijd. De losse
bezoeker heeft er geen last meer van want zijn/haar ideaal wordt
gecentreerd rond brothers en facts. Anderzijds is het die niet
opdagende dus onlosse bezoeker die ia zijn politieke desinteresse
maakt dat zelfs op moment van hogere economische zekerheid,
cultuur toch moet inleveren. 10%. Solden bij cultuur. Dat moet
pijnlijk zijn voor conservator Norbert Hostyn. Men heeft me
ingeprent dat het PMMK ook moet inleveren, maar ik heb zo’n
gevoel dat het Smusko al altijd heeft moeten inleveren. Op twee
vlakken: financieel omdat het cultuur is en inhoudelijk omdat de
wetenschap van de huidige conservator eerst te ‘ouderwets’ was
met het inkaderen van Ensor in een duidelijk tijdsbeeld, waardoor
zijn uniek karakter ook voor de Oostendenaar duidelijk werd. Men
heeft dat weggelachen. De nasleep daarvan voel je nu nog: de
politici hebben geen kaas gegeten van ons museum. Geert Lambert
wel, als laatste culturele schepen. Johan Verstreken zal mij die
literaire accrochage vergeven: zijn positie start op de beloften
en vaak dubieuze ervaringen van anderen op andere zetels en
stoelen.
Dus is zo’n accrochage als een maagzuurstiller voor een
zenuwlijder. 16 oud-laureaten in een timide zaal, circa 30 maal
winter (01.12.2000-28.02.2001) uit het museum tegen onderbelichte
muren alsof het grijs van de sneeuwwolken door het museum echter
zijn dan in het museum op doek. En vooral de drift van de jonge
verzamelde Oostendse kunstenaars, 60 keer tussen 1900 en 19400,
van Marc Abel tot Joseph Willaert. Daaruit twee hoogtepunten die
een grandioze individuele presentatie kregen: Erwin Cattoor en
Roland Devolder. Straks is het de beurt aan de individuele
tentoonstellingen van de laureaten van de Europaprijs 2000, Léon
Spilliaert, Jan en Oscar de Clerck en Werner Watty.
|