ons SMuSKO-tje

EUROPAPRIJS voor SCHILDERKUNST

Deze 17de editie bracht 450 deelnemers op de been wiens werken aan de hand van dia’s gekeurd werden. Daarvan werden er 63 uit de eerste selectie weerhouden. 31 werden laureaat. 3 kregen lauweren opgeplakt. Gans cultureel Europa zou wakker liggen. Maar dat was niet zo. Op de officiële persvoorstelling begin juli 2000 zaten we met 5 klungels en géén voorzitter van de jury bij toenmalige schepen Geert Lambert op schoot. De foto’s die toen gemaakt werden spreken boekdelen: veel personeel houdt de 8 panelen van de winnares in handen. Wanneer de expositie van de geselecteerden begin september 2000 start is de sfeer dan ook redelijk koel, lezen we in een bewaard artikeltje. De Grote Klok geeft wel wat hoop in dit fragment uit een vraaggesprek:

V: "Weet Finland dat jij deze prijs gewonnen hebt?"

A: "Ja, in mijn thuisstad alleszins. Ik heb net een tentoonstelling lopen in Finland en bij de aankondigingen en ook op de regionale televisie wordt steevast vermeld dat ik de Europaprijs voor Schilderkunst gewonnen heb. En daar zijn ze best trots op."

De laureaten.

Tim Beeby

Links:

Tim Beeby, 3de laureaat

 

 

 

 

 

 

Rechts:

Mäki-Arvela Heli, Winnares

Mäki-Arvela Heli

  

Mattijs Van den Bosch

Tweede laureaat:

Mattijs Van den Bosch

De jury werd voorgezeten door Hoofdconservator Willy Van den Bussche. Daarbij: Antje von Graevenitz uit Amsterdam, kunsthistorica en curator uit Barcelona Lluïsa Borràs, assistent directeur Ludwigmuseum Keulen Evelyn Weiss, gerenomeerd kunstpublicist Edward Lucie-Smith en onze eigen Conservator Norbert Hostyn.

De Finse Mäki-Arvela Heli schoot de hoofdvogel af met twee reeksen klein formaat schilderijen waarin een in tijd heel beperkte activiteit te zien is. In de ene is er een kus, in de andere twee personen die elkaar een hand geven. Er wordt iets gedaan in die geschilderde synopsis van een te bewaren vaststelling. Een hand geven is samenzijn, together, dus vanuit een afstand van elkaar naar elkaar toe groeien. Idem voor de kus. Maar er is een doorgedreven toon van vluchtigheid omdat er een soort overflow effect ingelast is; Beseffen dat de positieve activiteit, samen komen en zoenen, eigenlijk met opzet in beeld gebracht worden. Om bewaard te worden, om via een soort medium als bewijs van de goede menselijke intenties overeind te blijven. En dat maakt deze twee reeksen zo pijnlijk futiel, zo nutteloos, zo bedrieglijk.

De Amsterdammer Mattijs Van den Bosch - nummer twee - is minder omslachtig is zijn benadering van een maatschappij die fake is, die bestaat uit sterk virtuele situaties die vermediatiseerd worden tot het hoogste geluk. En dan heb je 4 figuren op een rij. Rugzicht. 3 in een houding van relatief aandachtig wachten, terwijl ééntje zijn hoofd bolkoel op de nek houdt. Het totaalbeeld van onzekerheid? Jan Guillemin (Tijdingen 07.07.2000) denkt aan eenzaamheid, de jury spreekt over melancholie. Het tweede werk is een wandelaar die duister van rechts naar links over het doek heengaat. De suggestie van afgaan. Zonder bepaald doel. Zonder titel

Nummer drie is de Brit Tim Beeby – whats in a name dus – die stoeit met merkkledij zoals je speelt met puzzelblokjes die op elk van hun 6 kantjes een ander fragment van een tekening hebben. Je kunt ze ook door elkaar gebruiken en dan heb je bijvoorbeeld het hoofd van een man (blok 1) met daaronder een naakte vrouwenborst (blok 2) en daaronder de gecentreerde taille van een zijde-ingesnoerd paar benen (blok 3). Geen enkele past of het is in de absurditeit dat het aangename van die werken ligt. Humor, aanklacht tegen overconsumptie van merkkledij met erotische pretenties. Alleen vervalt die sexy look samen met disproporties. Of: de hedendaagse uiterlijkheden passen niet in het geheel van een positieve menselijke evolutie.

En zo hebben we de indruk dat dit een zeer geëngageerde expositie is. Neen: de verhalen hebben een sociale laag maar dat engagement kan je beter op andere plaatsen gaan zoeken. Gevoel voor milieu bij Andreas Bausch, de suggestie van verval bij Michaël Borremans en Hjalmar Riemersma, het desolate van Vincent Solheid, Ulrike Bolenz en uiteraard in de holle architectuur van Koen Van den Broek. De catalogus heeft een duidelijk beeld van de inhoud. Het is alleen moeilijk de monumentaliteit van bepaalde werken in te schatten. Maar daarom moet je dus de tentoonstelling zelf gezien en meegemaakt hebben.

Verscheidenheid aan woorden en waarden

In de inleiding ‘Kunst in de spiegel van de tijd’ noteert de juryvoorzitter dat dit … "een tijd (is) waarin de hightech hoogtij viert en de schilderkunst als ambachtelijk en ouderwets wordt versleten. Niets is echter minder waar, de schilderkunst en het daaraan verbonden ambachtelijk kunnen wortelt in de traditie van het creatieve denkproces van de mens sinds de prehistorie en vindt vandaag nog steeds en ruimschoots zijn neerslag in tal van werken al dan niet op conventionele wijze uitgevoerd… Als gulden regel kan men vooropstellen dat waar de schilderkunst faalt men andere middelen gebruikt…. Dat daaruit gemengde technieken voortvloeien, is in het verleden al talrijke keren bewezen. En dat is goed ook want daardoor krijgt de schilderkunst telkens weer nieuwe impulsen ingegeven…. De vraag kan worden gesteld waar de kunst eindigt of begint en waar de grens kan worden getrokken tussen sensatie, kunst en entertainment."

Tot hier klinkt het beredeneerd. Dan komen de woordelijke finesses: "… Amuseerfascisme (Peter Sloterdijk)… de manier waarop bepaalde critici en filosofen zichzelf centraal stellen en proberen de kunstscène naar hun hand te zetten, wijst soms sterk in die richting…. De strijd tegen de goede smaak heeft een nieuwe smaak in de mond gelegd die veeleer smaakt naar beter!" Schilderkunst dus. Dat heeft de jury gezocht en gevonden in de laureaten, maar is de volgende stelling die burgemeester Vandecasteele noteert in zijn inleiding de juiste? "De geselecteerde werken zijn dan ook representatief voor de Europese schilderkunst aan de vooravond van een nieuwe eeuw."

Waar Hugo Brutin bij de bekendmaking van de winnaars neutraal rapporteert, moet hij naar aanleiding van de volledige tentoonstelling een aantal markante vaststellingen doen (Zeewacht circa 09.09.2000): "De laureaten (geven) niet bepaald blijk van frappante picturaliteit en verheven ambachtelijk kunnen zoals de jury aangaf…. Het is ons opgevallen dat de jury bij haar commentaar over de laureaten geen woord repte over schilderkunstige kwaliteiten en eerder uitmuntte in interpreteren dan in kritisch benaderen…." De dofheid die uit de bespreking van Hugo Brutin volgt, heeft te maken met de selectiewijze (1350 dia’s): "De ondanks materiële bezwaren verwerpelijke methode van het preselecteren op basis van dia’s heeft er opnieuw toe geleid dat bijvoorbeeld gevoelige monochromie of bijna monochromie en geraffineerd schilderkunstig talent geen kans krijgen en dat ronduit slecht geschilderde en kitscherige doeken de selectie van de Europaprijs ontsieren."

De Europaprijs als unieke verzameling.

Heeft een dergelijke Europaprijs dan een bestaanswaarde en bestaansreden? Natuurlijk. Maar ik wil een paar feiten op een rijtje. Bijvoorbeeld hoe is de Europese bekendheid van deze prijs, hoe en waar wordt ze aangekondigd, hoe is de representatie van iedere lidstaat en is er geen te groot overhelling naar één land of cultuurgebied, is de beloning realistisch, moet er geen grotere Europese uitstraling aan gegeven worden ….En zou het nu niet nodig zijn die zeer rijke en inderdaad tijdsgebonden dus historische collectie Europaprijswinnaars in een afzonderlijke grote ruimte te tonen, eventueel op een afzonderlijke locatie, heel goed bereikbaar en onder de goede van het cultuurwetenschappelijke werk van conservator Norbert Hostyn. Is de jurering realistisch, zijn die dia’s inderdaad niet dwaas maar worden ze des al niet te min bewaard in een (afzonderlijk) archief? En de ganse administratie die meer dan waarschijnlijk een schat aan informatie en anekdotes bevat. Wie bundelt het verhaal en giet het in een comfortabele vorm?

En zo kom ik dan bij de herhaalde waardering voor het Stedelijk Museum voor Schone Kunsten Oostende, zo snoezig smusko genoemd. Tweeledigheid. De vaste collectie. Daarin zitten twee luiken. De oudere (ik durf momentele niet spreken over ‘klassiekere’) kunst waarin de oorspronkelijk collectie zit, aangevuld met giften en legaten, en de niet hedendaagse Grote Oostendenaars rond Ensor. Dan deel twee met de hedendaagse of moderne Oostendenaars. Daarnaast zijn er de wisselexpositie die ofwel thematisch zijn vanuit het eigen bezit ofwel opgetrokken worden voor of rond een gastexposant. Dus als je alles goed optelt, dan is dit een zeer actief museum. Waarom ben ik er dan zo stil rond? Misschien ligt het aan de nostalgie naar de vaste collectie. En dan ben ik gelukkig met de tijdelijke accrochages, zoals…

Accrochages

. over die Europaprijs (van 09.09 tot 12.11.2000). 16 waardevolle stukken die eerst een heldere herinnering zijn aan de bijna 40 jaar jonge traditie die uit de schoot van creatieve lokale politici ontstaan is. Ik zie dan deftige vernissages voor me met veel tabak, grote woorden en afstandelijkheid tussen de prominenten en de losse bezoeker. Maar ook dat is tijd. De losse bezoeker heeft er geen last meer van want zijn/haar ideaal wordt gecentreerd rond brothers en facts. Anderzijds is het die niet opdagende dus onlosse bezoeker die ia zijn politieke desinteresse maakt dat zelfs op moment van hogere economische zekerheid, cultuur toch moet inleveren. 10%. Solden bij cultuur. Dat moet pijnlijk zijn voor conservator Norbert Hostyn. Men heeft me ingeprent dat het PMMK ook moet inleveren, maar ik heb zo’n gevoel dat het Smusko al altijd heeft moeten inleveren. Op twee vlakken: financieel omdat het cultuur is en inhoudelijk omdat de wetenschap van de huidige conservator eerst te ‘ouderwets’ was met het inkaderen van Ensor in een duidelijk tijdsbeeld, waardoor zijn uniek karakter ook voor de Oostendenaar duidelijk werd. Men heeft dat weggelachen. De nasleep daarvan voel je nu nog: de politici hebben geen kaas gegeten van ons museum. Geert Lambert wel, als laatste culturele schepen. Johan Verstreken zal mij die literaire accrochage vergeven: zijn positie start op de beloften en vaak dubieuze ervaringen van anderen op andere zetels en stoelen.

Dus is zo’n accrochage als een maagzuurstiller voor een zenuwlijder. 16 oud-laureaten in een timide zaal, circa 30 maal winter (01.12.2000-28.02.2001) uit het museum tegen onderbelichte muren alsof het grijs van de sneeuwwolken door het museum echter zijn dan in het museum op doek. En vooral de drift van de jonge verzamelde Oostendse kunstenaars, 60 keer tussen 1900 en 19400, van Marc Abel tot Joseph Willaert. Daaruit twee hoogtepunten die een grandioze individuele presentatie kregen: Erwin Cattoor en Roland Devolder. Straks is het de beurt aan de individuele tentoonstellingen van de laureaten van de Europaprijs 2000, Léon Spilliaert, Jan en Oscar de Clerck en Werner Watty.

  André BAERT

  April 2001