Miriam Maes, Christèle Devriendt, Laurette Mostrey en Antoon Mahieu

Wie – in Engels of Marx naam – houdt er nu op 1 mei een toespraakje voor de verzamelde kunstliefhebbers. Ik, omdat drie lieve vrouwtjes en één stille heer dat zo mooi hadden gevraagd. Daarbij: in de holtes van het CKO zal geen enkele goedgeaarde rode vaan mij zien. Mijn eer is gered. Zoals die ene andere keer dat ik ooit op 1 mei over kunst moest praten. Ook in datzelfde CKO maar dan in de enge en duistere kantoorruimte van Willy Bosschem die een paar weken later in De Peperbusse zou exposeren. CKO en 1 mei: niet compatibel.

Die 1 mei 2002 zeker niet, want terwijl ik de tekst die je hierna vindt lees voor het angstvallig druk aanwezig publiek, strompelt het geweten van Vlaanderen... van de Middenkust op zijn minst... onder de beeldengroep van Jespers over het plein dat voor de gelegenheid Tobintakstplein wordt genoemd. De vervuiler betaalt, de rijke betaalt meer, waarna met zoveel woorden gezegd wordt dat wij, in de galerij, het toonbeeld van opportunistische kooplust zijn, van rijkelui vertier. Ik concentreer me op mijn tekst. En dan golft de machtige Internationale de deur binnen, in het refrein verdikt door honderden mannenstemmen die het ook echt menen. Ik moet me over iedere letter buigen.

Dit is een ontroering teveel. Doe me een plezier. Zing voor jezelf vanaf dit scherm het lied van de oude antiglobalisten mee terwijl je bijzitter mijn tekst voorleest. Ik was toen de anti-Lenin. Voor één keer maar.

De Internationale

Vernissagetekst Casino Art Gallery 01/05/2002

Het grote voordeel van het meemaken van een opbouw van een expositie is, dat je de zwakke punten heel snel van de sterke accenten kan losmaken. Ik bedoel daarmee dat men gaat zoeken naar de technische hoogstandjes, omdat precies daardoor de zwakte zichtbaar wordt.

Een abstract kan héél abstract zijn, een figuratie te duidelijk, een juweel slechts glinstering en een beeld statisch. Maar de som van de titel en de inhoud maakt nooit de kwaliteit. Er was dus, voor alles, techniek.

Wanneer de deelnemers aan een tentoonstelling als deze niet meteen alle plastische hogescholen hebben afgelopen, niet geselecteerd werden voor roemruchte internationale exposities of zelfs niet eens mogen bogen op een c.v. waar iedereen U tegen zegt…

Als je dus te maken hebt met een viertal doodeerlijke kunstzinnig zeer bezige individuen

die daarbij in een groot aantal werken blijk geven van een metierkennis, … dan is men als inleider gelukkig en moet men, moet ik niet gaan goochelen met superlatieven die door hun ongemeende bron zo leeg zijn als het spreekwoordelijk café zonder bier.

Allemaal om u niet te lang – hebben zij mij gevraagd - te vertellen, dat ik zeer aangenaam verrast was door deze tentoonstelling die maandag opgebouwd werd. Ik heb toen twee uur gepraat, gekeken, genoten, een beetje herschikt, en vooral heel aandachtig en van nabij gezocht, gevonden en gestaard naar de krachtige partijen in de schilderijen, beelden en juwelen.

Christèle  Devriendt

is de juweelkunstenares die werkt met het procédé van de verloren was. Dat betekent dat het prototype in was wordt gesneden, uitgeperst of gekneed om daarna in een inbedding ‘verloren’ te gaan om plaats te maken voor brons of zilver, de twee materies waarmee zij werkt. De vormen zijn tweeledig. Ofwel organisch in kronkels rond het draagpunt of ophanging. Ofwel heel stilistisch tot modernistisch gegolfd, gehoekt, en hier en daar sierlijk barok. In de meeste gevallen laat ze de materie zilver of brons staan voor de materiesterkte. Soms laat ze een oxidatieproces doorgaan om een bijkomende dimensie af te dwingen. Noem het een chemisch opgeroepen kleurtint. In een groot aantal andere gevallen wordt een halfedelsteen door het juweel ‘gegrepen’, waardoor het ontwerp eigenlijk gestuurd wordt door de vorm en de spanning van die steen.

Laurette Mostrey

is gefascineerd door het insect, het kleine in de natuur dat zo ongekend voor onze ogen prikt, kruipt en tippelt. Elk met een eigen verhaal, een eigen dramatiek die evenredig met de korte levensduur vaak heel intensief of wreed is. Een insect is naar vorm ook een complex allegaartje van pootjes, lijfjes en vleugels. Lijnen en vlakken en daarmee zijn we bij de twee hoofdcomponenten van alle picturale schoonheid. Zij maakt ze in aquarel zeer realistisch in een getoetste omgeving. Wanneer ze het grovere acryl hanteert, warreren we in de abstracte wereld van vlakken en lijnen die een insect uitmaken en tot vlakverdelingen worden waarin voor veel kijkers het bestiale verdwijnt. Dat versterkt het gegeven omdat we ontdaan worden van de plicht de anekdote te lezen. We mogen over drie fasen meegaan in een levensgeschiedenis die door die kleine schoonheid wordt verteld.  Waar de eerste indruk er één van vlakte en van organische achtergrond was, voel je nu een emotie die vloeit van een doffere kleur naar heldere, zeer abstracte kleurvlakken tot bij de frivole abstracten met overwegend druiplijnen die als arceringen een lente aanvatten.

Miriam Maes

ken ik al een lange tijd. Neem dus van mij aan dat ze een gestage en vruchtbare evolutie heeft meegemaakt. Ik herinner haar als een doorzetter en een twijfelaar. Een contradictie – ik weet het – maar de voedingsbodem voor wat je eindelijk hier ziet. Het leven van diverse godinnen rond Lilith, Keltische bron van liefde, muze voor de grote dichters, prototype van de krachtige, sterke, vurige en vaak wrede vrouw die plaats moest ruime voor de slome bijbelse Eva. Ik zet dit verhaal op een zijspoor om volop te kunnen genieten van de plastische attitude. De achtergrond is papier, gestreeld, geduwd en gekleefd, vanuit een niet dominerende mixed media techniek die in een aantal werken op zich al ware kunst is. Daarop trekt ze met een benijdenswaardige trefzekerheid het vrouwelijke naakt in houtskool. Deze godinnen zijn het sterkst wanneer hun hoofd gedeeltelijk verdwijnt aan de rand in de achtergrond. Op die manier kan het lichaam, maar vooral de lijnvoering van dat lichaam, vertellen over de zelfzekerheid van het project vrouw. In de mist van Chinese letters, de kaligrafie van de muziekpartituren of de schrijfstijl voor Jazz.  Tenslotte:

Antoon Mahieu

In de verwarring van het eerste moment van opbouw leek de ruimte die voorzien was voor de beelden een mausoleum voor een besluitloze verzamelaar. In de stapels dozen, sokkels en rondstaande beelden zag ik zowel een schroothoop als een kleiberg. Waarin ik me danig vergist heb. In het ene gedeelte stonden wat hij noemt de kleischetsen. Vlugge maar zeer krachtige beduimelingen van klei tot figuren die veraard zijn tot expressieve houdingen. De grilligheid, de ongekunstelde en weinig herzette vormgeving draagt het evenwicht tussen vakkennis enerzijds en duidelijke visie op het lichaam anderzijds. Op zo’n moment sta je plots versteld in die verwarring waar ik het daarnet over had. Ik wil dat u straks met grote aandacht naar die kleischetsen kijkt, zeker ook naar twee speciale stukken: het stierenkoppel en de geblokte suggestie van personage. Daarnaast presenteert hij ook pseudo-ijzer portretten. Eigenlijk zijn het klei- of polyesterkoppen waarover roest als patine gelegd wordt. Het oog voelt de materie; er is alleen geen kille metalige tast. En humor, want de portretkoppen stralen soms ernst maar vaak een cynisch trekje uit. Een schampschot naar de heel intrinsieke bedoelingen van de mensen. Wij die met ons uniek uiterlijk vaak de meest gekunstelde nonsens uitkramen.

Zoals dat, tot nu, van mij, waarvoor mijn dank.

André BAERT

  
[Home] [NOT-index] [Top]