Ik hou van stekelboeken.
Stekelboeken zijn boeken die ik (uit)gelezen heb en
waarin ik passages heb aangeduid.
Ik gebruik daar twee soorten papiertjes voor. Drie eigenlijk, maar twee ervan zijn heel belangrijk.
Gele kleefblaadjes die tegen aan de paragraaf met de
behouden tekst gedrukt worden.
En gekleurde langwerpige zelfgesneden bladwijzers wanneer
die geel gemarkeerde strofen of
passages na herlezing voor de nalezers belangrijk zouden
kunnen zijn. Paardejam
van Charlotte Mutsaers staat scherp van de klevertjes en de
strookjes. Ik wil
die harde haren kammen maar de vraag is: waar zal ik me eerst
aan prikken? Er
steken zoveel papieren schijfjes uit het oranje boek dat ik bang
word te zullen verdwalen. Toen
ik ze voor het eerst las waren ze wondermooi, soms tartend,
speels, of heel treffend voor die schrale interesses die ik heb.
Maar terwijl mijn aandacht verspringt van boek met
stekels naar te hoog PC-scherm op het kinderverdiep, verlies ik
alle banden met die tijdloosheid die ik toen gevoeld had.
Vermoed ik aanvankelijk dat dit ontmoedigend is, blijkt
nadien dat ik met verse moed de hernieuwde kennismaking aan mag
gaan.
Ik heb zoals dat bij mij
hoort heel toevallig een paar rode draadjes gevonden langs de
randjes van de klevers. Over
kunst, mussen en Latijnse stopverf.
Wanneer Mutsaers als juf
schilderles aan de academie vraagt ‘wie al eens om een
schilderij heeft gehuild’, “(zei een jongen) ‘Verfstreken
zijn nu eenmaal geen tranentrekkers.’
‘Van schilderijen ligt nu eenmaal niemand wakker,’
zei een meisje.” Is
dit de jeugd waar ik zoveel van moet verwachten of is dit een
grove samenvatting van impressies die Mutsaers opgedaan heeft
als observator en die ze als auteur tot voor mij pregnante
statements maakt. Ze
maakt me bang met de reportage over het koppel dat op
museumbezoek gaat. “Ik
ging opzij”, schrijft ze.
“Ze wisten de museale afstand (tot de rok) uitstekend
te bewaren. Schattend
deed de vrouw zelfs nog een paar stapjes extra achteruit. Daarna kneep ze haar ogen halfdicht om vooral niet door de
‘details’ te worden afgeleid en verzuchtte tevreden: ‘Nét
abstracte kunst.’ ‘Inderdaad,’
zei de man, ‘daarom juist.’
Daarom juist? Mijn
oren tuitten. Voor de zoveelste maal in mijn leven moest ik lijdelijk
aanhoren hoe met een bepaald air een uiterst beperkte opvatting
van beeldende kunst ten beste werd gegeven.”
Zij loopt hoog op met de
adem van de kunst. Maar
kunstenaars die de abstracte kunst hanteren als uitvlucht of
vluchteilandje, moet ze niet.
“Abstractie grenst aan extractie en met het wegnemen
van de concreetheid van iets trek je in enen het bloed eruit.
Waarom zou ik me vrijwillig gaan toeleggen op structuren
als het me om vacht, manen en kloppend hart was te doen?” Als
het over concrete en geladen vormen gaat, bedoelt ze.
Ook de taal kent zijn vervreemding maar blijft hoe dan ook
tastbaar en begrijpelijk. Daar is abstract slechts het woord. “Een schrijver die werkelijk wat wil, ontwerpt zijn eigen
grammatica en binnen die grammatica mag het object bij een
overgankelijk werkwoord natuurlijk naar believen worden
ingevuld. Ook mogen
subject en object rustig in elkaar overgaan, graag zelfs.
Een paard schrijven, dat neerkomt op een paard worden,
als men snapt waar ik heen wil.”
Daarbij wijst ze ook naar kunstgrepen die eigenlijk
technieken zijn om het onzichtbare zichtbaar te maken.
Over een personage bij de haard schrijft ze bijvoorbeeld.
“Daar komt niet veel warmte uit.
Hij (de kunstenaar) heeft er echter iets op gevonden.
Hij heeft de juffrouw die ervoor zit van haar bovenkleren
ontdaan. Zo denkt
de toeschouwer de warmte die hij niet ziet en nog minder voelt
er domweg bij. Dat
zou ik anekdotische warmte willen noemen.
Ze hebben het weleens over kunstgrepen, dit lijkt mij er
een.”
En zo komen we bij de
kunst die galoppeert van rijkunst naar pennenruiters.
“Om met verve de kwast, het potlood of de pen te
voeren, moet je eerst het klappen van de zweep hebben geleerd.
Hoe zou je de wereld anders naar je hand kunnen zetten?
En wat is kunst maken anders dan het zetten van de wereld
naar je hand?” Wanneer
in die kunst naar de duurzaamheid wordt gevraagd, kiest ze voor
de literatuur. “Men
zal er alleen wat meer moeite voor moeten doen.
Maar is het zo’n ramp om een paar bladzijden te moeten
lezen alvorens zich een beeld te kunnen vormen?
Beklijft iets waar je je voor hebt ingespannen niet veel
meer?” Een
onherroepelijk argument vindt ze bij de bedenker van ‘confiture
de cheval’ (vandaar de titel van het boek): “Magritte was in
feite een schrijver – wie zijn brieven leest zal het beamen
– en bij zijn schilderen heeft hij daar flink profijt van
getrokken (en wij ook).”
En: “Een schrijver heeft veel meer bewegingsvrijheid.”
En dan laat ze Karel Jonckheere de dubbelfluit spelen:
“Wat over een stad wordt verteld is veel betekenisvoller dan
aangezichten en muren. Een
schilderij doet meer voor een schip of een boom dan die dingen
zelf.” De bron
ligt in vele kampen, maar nooit op twee plaatsen tegelijkertijd.
Iets is, ondanks de andere.
Ze laat mijn lievelingsauteur daarover aan het woord in
zijn ‘Oostende Verteld’: “Een stad (...) moet ge nooit
vereenzelvigen met haar inwoners. Deze denken dat zij haar klimaat bepalen.
Het is andersom. Zij behoren bij haar. Bij
haar licht, bij haar oude naam.
Zonder te vergeten dat het vreemdelingen zijn die het
stadskarakter ontdekken, hun
etiket op het geheel kleven, de ziel ervan bestendigen,
zelfs in de verbeelding van de bewoners.”
Oostendenaars zoals James Ensor er één is of was?
“Ja, James Ensor leeft.
Maar helaas, dat heeft hij niet te danken aan de
geërgerde pennenlikkers van onze doorgefourneerde kunstkritiek.
O, dat absolute misprijzen van alles wat niet
een-twee-drie te klasseren valt.”
Je
moet Rome niet bezoeken om Latijnse termen te leren.
Charlotte Mutsaers sprokkelt ze.
Eéntje is klankverheffing, twee geleerdheid, meer dan
drie (met inbegrip van dubbel gebruik) is ofwel stopverf voor
het gelijk ofwel de draak steken met de Hollandse ernst. Van ‘Veni,
vidi, vici’ naar ‘Mutatis Mutandis’ (tweemaal),
een snuifje ‘jurisprudentie’, ‘Lupus lupo homo’,
een ‘os zygomaticum’, wat ‘Sursum Corda’, ‘nolens
volens’, ‘captatio benevolentiae’ en tenslotte een
verdoken ‘qualitate qua.’
En
dan de ‘vreemde’ mussen die “van een heet zinken dak (...)
donderen” bij Albert Camus of de mussen die geen vinken zijn
in de omgeving van Flauberts Madame Bovary.
De boekmussen bij W.F.Hermans die “alleen maar zinloos
van het dak (mogen) vallen ‘als het de bedoeling van de auteur
is geweest; te betogen, dàt het in zijn wereld geen gevolg
heeft als er mussen van daken vallen.”
Met toestemming dus al “heeft Hugo Brandt Corstius ooit
opgemerkt dat hij dacht dat mussen nu net met vleugeltjes waren
uitgerust om niet te behoeven vallen.”
Die dus “rustig in een boom zit te koekeloeren (en
ondertussen wel alles hebben gezien)” maar daarom nog geen “vliegende
nachtegalen zijn geworden.”
En zo komt Mutsaers bij Maurice Gilliams’ Elias of het
gevecht met de nachtegalen. “Als het mussen verboden wordt om
vrijblijvend in boeken rond te spoken, mogen nachtegalen in een
titel het dan ineens wel?” Waarna die nachtegaal na de eerst
druk uit het verhaal van Gilliams verdwijnt.
Er
zitten uiteraard (en
door de aard van het dier) pareltjes van taal en beeld in
Paardejam. Zoals “Het jukbeen of waarom men zijn tranen de vrije loop
moet laten.” In
‘De Emotionele Stoel’ beschrijft Mutsaers heel beknopt een
typisch moment uit het dagelijks leven in Oostende. “Gisteren
zijn in Oostende dan eindelijk de kerstbomen verbrand.
Dagenlang hadden ze in weer en wind op hun vernietiging
liggen wachten en nu kwamen wij ons warmen aan hun gloed.
Er stonden wat kraampjes met gekleurde lampjes op het
strand. Er was
warme wijn. Er
werden sprotjes geroosterd, die gratis werden uitgedeeld.
De stralen van de vuurtoren probeerden te concurreren met
de vuurzuil. De
brandweer keek toe. Op
een houten podium stond een orkestje.
Er werd geen klassieke muziek gespeeld, ook geen
rockmuziek, maar jazz. Er
werd uitbundig gedanst. Toen
het vuur gedoofd was, liep ik over vertrapte visgraten en
dennetakjes richting zee. Daar
lag hij, zwart en
grijnzend.” Waar
haalt ze de finesse? “...
de ervaring (heeft) me inmiddels geleerd dat je spontaan
opkomende zinnen nooit uit de weg moet gaan, aangezien ze altijd
een handreiking van de inspiratie zelf zijn...”
Paardejam.
Ik heb er van genoten.
In gelezen, gezocht, herbezocht, geplakt en getijpt.
Geen boek voor “De Sleghte ... maar niemand wou ze
hebben. Toen...
Oudemanhuispoort”, al heb ik daar zuivere liefdesbrieven van
Kloos en probeersels van Van Deyssel drie meter hoog gevonden. Ergens tussen deze en gene bladzijde noteerde ik dat
Charlotte Mutsaers spit, ontrafelt, componeert, nieuwe collages
maakt uit oude verhalen. En
dat ze van een scheet een donderslag kon maken.
Dan wil ik het getatoeëerde achterste op de ‘De
Emotionele Stoel’ wel eens zien. “Daar stonden ze op hun
stevige voeten: fier rechtop met een knuppel van een geslacht en
de vuisten gebald in de lucht.
Het is dat ik de straat over moest, anders had ik mijn
kleren niet meer aangetrokken.”
André
Baert
25.02.2003
Paardejam
van Charlotte Mutsaers is uitgegeven bij Meulenhoff (1996) en
kost bij CORMAN circa € 20.