|
Schrijvers
reizen (en leven) twee keer: in tijd en ruimte, zoals
iedere sterveling, maar een tweede keer en meer intens in
hun boeken. John Gheeraert is vooral die tweede, literaire
vorm, van onderweg zijn geboeid. Vooral als die
geschriften zijn vaderstad betreffen.
Auteur John Gheeraert is sterk gepassioneerd door locaties
waar schrijvers hun romans situeren. Hijzelf heeft het
over de magie van de plaats. Als het even kan laat ook hij
zich ter plekke bekoren door de in die romans opgeroepen
beelden en sfeer. En zelf grasduint hij al jaren de
wereldliteratuur af op zoek naar literaire sporen over
zijn geboortestad Oostende. John Gheeraert:
"Literatuur kleurt de werkelijkheid altijd mooier. Zo
is het beeld dat ik uit de wereldliteratuur heb kunnen
distilleren over Oostende ook veel interessanter dan wat
het misschien ooit is geweest. Maar dit beeld van
Oostende, gezien door zo veel verschillende literatoren,
maakt ook dat ik mijn stad met andere ogen bel gaan
bekijken en meestal halen die impressies het op de
realiteit. De stad komt er alleen maar rijker uit naar
voor."
Overigens spelen de meeste van Gheeraerts eigen romans
zich ook af in het hartje van het historische Oostende:
"Ik bracht mijn jeugd door in de straten rond de
Oostendse Peperbusse, waar mijn vader eertijds koetsier
was en er later een paardenslagerij begon. Wat me altijd
is bijgebleven is het sociale karakter van de buurt.
Iedereen was er welkom bij iedereen. Er was een echt en
hecht gemeenschapsgevoel. Men leefde op straat, speelde op
straat en ondanks de armoede was er een losgebonden
solidariteitsgevoel.. Maar in veel van mijn romans
proberen de hoofdpersonages toch hun milieu te
ontvluchten."
Ze zijn bijzonder talrijk, de vele auteurs die onze stad
passeerden op doorreis naar andere oorden of die Oostende
soms noodgedwongen, als tussenstation leerden kennen.
"Het is wel opvallend hoe Oostende veel auteurs
literair heeft geïnspireerd. Akkoord, dat zal wel eigen
zijn aan veel havensteden, maar Oostende was vooral
psychologisch een terminal, een sluis naar betere oorden,
want sommige schrijvers kwamen hier niet als toerist of om
te kuren, maar kwamen op de vlucht."
Na heel wat speurwerk wist John Gheeraert er een reeks
literaire kronieken mee te stofferen. In zijn Als d'Oude
Peperbus vertelt, Ode aan Oostende, Vertellingen uit het
Zeepaardje en Berichten uit Bredene situeert hij de al dan
niet langdurige aanwezigheid van internationaal vermaarde
auteurs in Oostende of aan onze kust: Michel de
Ghelderode, Emile Verhaeren, Georges Simenon, Mark Twain,
Louis Couperus, Hugo Claus, Henry W. Longfellow, Paul
Verlaine, Arthur Rimbaud, Arthur Koestler, Stefan
Schweig...
"Velen zijn hier anoniem gepasseerd", zegt
Gheeraert, "Hun impressies zijn voor een deel het
geheugen van onze stad. Zo werd Oostende een literaire
stad. Maar natuurlijk zijn een aantal onder hen hier
naamloos aangekomen zonder één geschreven woord over
onze stad na te laten !".
Met een aantal schrijvers heeft Gheeraert in die context
ook uitvoerig gecorrespondeerd. Neem nu Georges Simenon.
"In de zowat 20 brieven die ik van hem mocht
ontvangen, vertelt hij o.a. hoe zijn ouders in het begin
van de eeuw Oostende las bestemming van hun huwelijksreis
hadden uitgekozen en hoe hijzelf als 17-jarige, op advies
van zijn moeder, ook naar de kuststad reisde om voor het
eerst in zijn leven de zee te zien. Een ervaring die hem
altijd sterk is bijgebleven. Maar in feite heeft Simenon
in zijn romans meer over de Oostendenaars geschreven dan
over Oostende zelf. Zo heeft hij het in zijn Le Clan des
Ostendais over de vissersfamilies die tijdens de Tweede
Wereldoorlog met hun boten naar La Rochelle waren
gevlucht. Zelfs was de, eveneens in exodus levende,
Simenon in die Franse vissersstad aangesteld als een soort
commissaris voor vluchtelingen en had hij dus dagelijks
contact met die Oostendenaars."
Ook de Amerikaan Mark Twain berichtte over Oostende in
Amerikaanse bladen. "Toen was hij nog niet de
gevierde schrijver van Tom Sawyer en Huckleberry Finn,
maar een onbekende journalist die door de New York Herald
naar Europa werd gestuurd over de aanwezigheid van de Sjah
van Perzië in Oostende. Zo beschreef Twain o.a. in dit
curious Ostend dat hij toch wel gezellig vond, de vele
souvenirwinkeltjes waar hij groteske figuurtjes in de
etalages zag - gemaakt van schelpen en kreeftenscharen -
die onfatsoenlijke dingen aan het doen waren. Nu, wie de
etalage van het Ensorhuis kent, hoeft zich niet te
verwonderen over die puriteinse opmerking van Twain die de
Vlamingen ook spottend als ploeteraars omschreef."
Maar de oud-leraar aan het O.L.V.-College heeft zich
vooral verdiept in de aanwezigheid van de Joodse
immigranten aan onze kust en in Oostende. Vroeger al
bracht hij in 'Bericht uit Bredene' het relaas van
schrijvers als Irmgard Keun, Joseph Roth, Hermann Kesten,
Arthur Koestler, Egon Kisch die elkaar in Bredene
ontmoetten of er soms ook verbleven, omdat het er
goedkoper leven was dan in Oostende. Geïnspireerd door de
mysterieuze moord op een meisje waarvan men het lijk in de
duinen teruggevonden had, schreef Hermann Kesten al in
1933 'De tote von Oostende'.
Ook Stefan Zweig leek een spilfiguur binnen die groep. De
in Wenen geboren literator was o.a. biograaf en vertaalde
tal van buitenlandse dichters in zijn moedertaal. Zo
raakte hij erg bevriend met Emile Verhaeren. "Op zijn
vlucht voor het groeiende nazisme kwam Schweig in de jaren
voor W.O. II in Oostende in contact met o.a. Keun, Roth en
Kisch. Hij bezocht James Ensor die hij een zonderling,
gesloten figuur vond die met tegenzin zijn doeken liet
zien uit schrik dat iemand ze zou willen kopen. Voor Leon
Spilliaert had hij dan weer meer sympathie. Ook met de in
Blankenberge geboren Frans Masereel had Schweig nauwe
contacten. Later trok de auteur naar Rio de Janeiro waar
hij in 1942 met zijn tweede vrouw zelfmoord pleegde",
weet John Gheeraert.
Maar ook de in Bredene wonende auteur heeft te doen met
Ensor. "Ik ben ervan overtuigd dat Ensor achter zijn
cynisch lachje veel verborg? En dat ook hier de literatuur
een openbarende rol kan spelen om het ontstaan en de
betekenis van veel van de schilderijen uit zijn meest
creatieve periode te begrijpen", besluit Gheeraert. |
|
James
Ensor was bij leven al een legende. Maar hij maakte het
zijn biografen niet gemakkelijk en stuurde zodanig veel
verhaaltjes over zichzelf de wereld in dat men nauwelijks
nog realiteit van fictie kon onderscheiden. Het satanische
karakter van veel van Ensors werk is voor menig onder ons
een raadsel. De kunstenaar hield zijn bronnen dan ook
angstvallig geheim. Wie hier verandering in brengt is John
Gheeraert die zopas in een boek 'De geheime wereld van
James Ensor' uit de doeken doet.
John Gheeraert is net als Ensor, geboren en getogen
Oostendenaar. Hij studeerde Germaanse filologie en gaf
Germaanse talen in het College te Oostende. Nu hij
gepensioneerd is, kan hij zijn tijd volledig spenderen aan
zijn hobby : het schrijven van literaire kronieken, romans
en verhalen. Dat bracht hem o.m. al de Ary Sleeksprijs op
en de Daan Inghelramprijs. En nu waagt hij zich aan zijn
stadsgenoot, James Ensor.
John Gheeraert : "De sleutel van het geheim Ensor
ligt in zijn Brusselse periode. Hij kwam daar in contact
met de bekende vrijdenker Ernest Rousseaux. Ik ontdekte
verder dat de medestichtster van de Theosofische
Vereniging, Helena Blavatsky, tussen 1886 en 1887 een
klein jaar in Oostende verbleef en er haar 'Geheime leer'
schreef, de bijbel van de theosofen. Uit mijn onderzoek
bleek dat Ensor in zijn creatiefste periode veel aan de
esoterische werken van Blavatsky heeft ontleend. Maar
Ensor was ook bevriend met de, vooral in Frankrijk,
beroemde Azië-reizigster, Alexandra David-Néel. Die
verbleef ook enige tijd in Oostende. Ik ontdekte zo
bronnen die totaal onverwachte inzichten leverden over een
schilder van wie het leven doorgaans als 'saai' wordt
afgedaan."
En dan is er nog prof. Marcel De Maeyer die ontdekte dat
Ensor in 1886-87 schilderijen bijwerkte met duiveltjes.
Helena Blavatsky noemde het dzins, of djinns. Het een en
ander werd ontdekt d.m.v. infraroodstraling.
Dit alles en nog veel meer doet John Gheeraert uit de
doeken in zijn boek "Het geheime leven van James
Ensor". Belangrijk om weten is dat het een echt
leesboek is geworden. "In het verleden werden
honderden boeken over de grootmeester uitgebracht",
zegt Leo De Haes van uitgeverij Houtekiet uit Antwerpen.
"De meeste daarvan waren academische geschriften.
John Gheeraert schreef het eerste leesboek voor het grote
publiek."
John Gheeraert beperkt zich in het boek tot de jonge jaren
van Ensor tot 1893. "Dat was de meeste creatieve
periode uit zijn leven", weet Gheeraert. "In
1893 wou hij stoppen met schilderen en zijn atelier
verkopen. Hij was toen 33 jaar, precies de leeftijd waarop
Christus stierf. Voor Ensor was 33 een symbolisch getal en
hij vereenzelvigde zich met Christus. |