De Geheime Wereld 
van 
James Ensor
door 
John Gheeraert

      

DE MAGIE VAN DE PLAATS
Schrijver John Gheeraert is gepassioneerd door locaties waar auteurs hun romans situeren

    

Schrijvers reizen (en leven) twee keer: in tijd en ruimte, zoals iedere sterveling, maar een tweede keer en meer intens in hun boeken. John Gheeraert is vooral die tweede, literaire vorm, van onderweg zijn geboeid. Vooral als die geschriften zijn vaderstad betreffen.

Auteur John Gheeraert is sterk gepassioneerd door locaties waar schrijvers hun romans situeren. Hijzelf heeft het over de magie van de plaats. Als het even kan laat ook hij zich ter plekke bekoren door de in die romans opgeroepen beelden en sfeer. En zelf grasduint hij al jaren de wereldliteratuur af op zoek naar literaire sporen over zijn geboortestad Oostende. John Gheeraert: "Literatuur kleurt de werkelijkheid altijd mooier. Zo is het beeld dat ik uit de wereldliteratuur heb kunnen distilleren over Oostende ook veel interessanter dan wat het misschien ooit is geweest. Maar dit beeld van Oostende, gezien door zo veel verschillende literatoren, maakt ook dat ik mijn stad met andere ogen bel gaan bekijken en meestal halen die impressies het op de realiteit. De stad komt er alleen maar rijker uit naar voor."

Overigens spelen de meeste van Gheeraerts eigen romans zich ook af in het hartje van het historische Oostende: "Ik bracht mijn jeugd door in de straten rond de Oostendse Peperbusse, waar mijn vader eertijds koetsier was en er later een paardenslagerij begon. Wat me altijd is bijgebleven is het sociale karakter van de buurt. Iedereen was er welkom bij iedereen. Er was een echt en hecht gemeenschapsgevoel. Men leefde op straat, speelde op straat en ondanks de armoede was er een losgebonden solidariteitsgevoel.. Maar in veel van mijn romans proberen de hoofdpersonages toch hun milieu te ontvluchten."

Ze zijn bijzonder talrijk, de vele auteurs die onze stad passeerden op doorreis naar andere oorden of die Oostende soms noodgedwongen, als tussenstation leerden kennen. "Het is wel opvallend hoe Oostende veel auteurs literair heeft geïnspireerd. Akkoord, dat zal wel eigen zijn aan veel havensteden, maar Oostende was vooral psychologisch een terminal, een sluis naar betere oorden, want sommige schrijvers kwamen hier niet als toerist of om te kuren, maar kwamen op de vlucht."

Na heel wat speurwerk wist John Gheeraert er een reeks literaire kronieken mee te stofferen. In zijn Als d'Oude Peperbus vertelt, Ode aan Oostende, Vertellingen uit het Zeepaardje en Berichten uit Bredene situeert hij de al dan niet langdurige aanwezigheid van internationaal vermaarde auteurs in Oostende of aan onze kust: Michel de Ghelderode, Emile Verhaeren, Georges Simenon, Mark Twain, Louis Couperus, Hugo Claus, Henry W. Longfellow, Paul Verlaine, Arthur Rimbaud, Arthur Koestler, Stefan Schweig...

"Velen zijn hier anoniem gepasseerd", zegt Gheeraert, "Hun impressies zijn voor een deel het geheugen van onze stad. Zo werd Oostende een literaire stad. Maar natuurlijk zijn een aantal onder hen hier naamloos aangekomen zonder één geschreven woord over onze stad na te laten !".

Met een aantal schrijvers heeft Gheeraert in die context ook uitvoerig gecorrespondeerd. Neem nu Georges Simenon. "In de zowat 20 brieven die ik van hem mocht ontvangen, vertelt hij o.a. hoe zijn ouders in het begin van de eeuw Oostende las bestemming van hun huwelijksreis hadden uitgekozen en hoe hijzelf als 17-jarige, op advies van zijn moeder, ook naar de kuststad reisde om voor het eerst in zijn leven de zee te zien. Een ervaring die hem altijd sterk is bijgebleven. Maar in feite heeft Simenon in zijn romans meer over de Oostendenaars geschreven dan over Oostende zelf. Zo heeft hij het in zijn Le Clan des Ostendais over de vissersfamilies die tijdens de Tweede Wereldoorlog met hun boten naar La Rochelle waren gevlucht. Zelfs was de, eveneens in exodus levende, Simenon in die Franse vissersstad aangesteld als een soort commissaris voor vluchtelingen en had hij dus dagelijks contact met die Oostendenaars."

Ook de Amerikaan Mark Twain berichtte over Oostende in Amerikaanse bladen. "Toen was hij nog niet de gevierde schrijver van Tom Sawyer en Huckleberry Finn, maar een onbekende journalist die door de New York Herald naar Europa werd gestuurd over de aanwezigheid van de Sjah van Perzië in Oostende. Zo beschreef Twain o.a. in dit curious Ostend dat hij toch wel gezellig vond, de vele souvenirwinkeltjes waar hij groteske figuurtjes in de etalages zag - gemaakt van schelpen en kreeftenscharen - die onfatsoenlijke dingen aan het doen waren. Nu, wie de etalage van het Ensorhuis kent, hoeft zich niet te verwonderen over die puriteinse opmerking van Twain die de Vlamingen ook spottend als ploeteraars omschreef."

Maar de oud-leraar aan het O.L.V.-College heeft zich vooral verdiept in de aanwezigheid van de Joodse immigranten aan onze kust en in Oostende. Vroeger al bracht hij in 'Bericht uit Bredene' het relaas van schrijvers als Irmgard Keun, Joseph Roth, Hermann Kesten, Arthur Koestler, Egon Kisch die elkaar in Bredene ontmoetten of er soms ook verbleven, omdat het er goedkoper leven was dan in Oostende. Geïnspireerd door de mysterieuze moord op een meisje waarvan men het lijk in de duinen teruggevonden had, schreef Hermann Kesten al in 1933 'De tote von Oostende'.

Ook Stefan Zweig leek een spilfiguur binnen die groep. De in Wenen geboren literator was o.a. biograaf en vertaalde tal van buitenlandse dichters in zijn moedertaal. Zo raakte hij erg bevriend met Emile Verhaeren. "Op zijn vlucht voor het groeiende nazisme kwam Schweig in de jaren voor W.O. II in Oostende in contact met o.a. Keun, Roth en Kisch. Hij bezocht James Ensor die hij een zonderling, gesloten figuur vond die met tegenzin zijn doeken liet zien uit schrik dat iemand ze zou willen kopen. Voor Leon Spilliaert had hij dan weer meer sympathie. Ook met de in Blankenberge geboren Frans Masereel had Schweig nauwe contacten. Later trok de auteur naar Rio de Janeiro waar hij in 1942 met zijn tweede vrouw zelfmoord pleegde", weet John Gheeraert.

Maar ook de in Bredene wonende auteur heeft te doen met Ensor. "Ik ben ervan overtuigd dat Ensor achter zijn cynisch lachje veel verborg? En dat ook hier de literatuur een openbarende rol kan spelen om het ontstaan en de betekenis van veel van de schilderijen uit zijn meest creatieve periode te begrijpen", besluit Gheeraert.

  

"De geheime wereld van James Ensor" 
(of Ensor anders bekeken)

   

James Ensor was bij leven al een legende. Maar hij maakte het zijn biografen niet gemakkelijk en stuurde zodanig veel verhaaltjes over zichzelf de wereld in dat men nauwelijks nog realiteit van fictie kon onderscheiden. Het satanische karakter van veel van Ensors werk is voor menig onder ons een raadsel. De kunstenaar hield zijn bronnen dan ook angstvallig geheim. Wie hier verandering in brengt is John Gheeraert die zopas in een boek 'De geheime wereld van James Ensor' uit de doeken doet.

John Gheeraert is net als Ensor, geboren en getogen Oostendenaar. Hij studeerde Germaanse filologie en gaf Germaanse talen in het College te Oostende. Nu hij gepensioneerd is, kan hij zijn tijd volledig spenderen aan zijn hobby : het schrijven van literaire kronieken, romans en verhalen. Dat bracht hem o.m. al de Ary Sleeksprijs op en de Daan Inghelramprijs. En nu waagt hij zich aan zijn stadsgenoot, James Ensor.

John Gheeraert : "De sleutel van het geheim Ensor ligt in zijn Brusselse periode. Hij kwam daar in contact met de bekende vrijdenker Ernest Rousseaux. Ik ontdekte verder dat de medestichtster van de Theosofische Vereniging, Helena Blavatsky, tussen 1886 en 1887 een klein jaar in Oostende verbleef en er haar 'Geheime leer' schreef, de bijbel van de theosofen. Uit mijn onderzoek bleek dat Ensor in zijn creatiefste periode veel aan de esoterische werken van Blavatsky heeft ontleend. Maar Ensor was ook bevriend met de, vooral in Frankrijk, beroemde Azië-reizigster, Alexandra David-Néel. Die verbleef ook enige tijd in Oostende. Ik ontdekte zo bronnen die totaal onverwachte inzichten leverden over een schilder van wie het leven doorgaans als 'saai' wordt afgedaan."

En dan is er nog prof. Marcel De Maeyer die ontdekte dat Ensor in 1886-87 schilderijen bijwerkte met duiveltjes. Helena Blavatsky noemde het dzins, of djinns. Het een en ander werd ontdekt d.m.v. infraroodstraling.

Dit alles en nog veel meer doet John Gheeraert uit de doeken in zijn boek "Het geheime leven van James Ensor". Belangrijk om weten is dat het een echt leesboek is geworden. "In het verleden werden honderden boeken over de grootmeester uitgebracht", zegt Leo De Haes van uitgeverij Houtekiet uit Antwerpen. "De meeste daarvan waren academische geschriften. John Gheeraert schreef het eerste leesboek voor het grote publiek."

John Gheeraert beperkt zich in het boek tot de jonge jaren van Ensor tot 1893. "Dat was de meeste creatieve periode uit zijn leven", weet Gheeraert. "In 1893 wou hij stoppen met schilderen en zijn atelier verkopen. Hij was toen 33 jaar, precies de leeftijd waarop Christus stierf. Voor Ensor was 33 een symbolisch getal en hij vereenzelvigde zich met Christus.

   

Uitgegeven bij Houtekiet, € 19.80 (CORMAN)
Uitgeverij Houtekiet nv,
Vrijheidstraat 33, 2000 Antwerpen
tel 03.238.12.96 -
fax 03.238.80.41 - info@houtekiet.com
en via
www.boekenwereld.be

Bron: Aankondiging Houtekiet 

[Home] [NOT-index] [Terug] [Top]