|
"Het Verstoorde Dorp"
4. Tekst van de "Voorstelling boek en tentoonstelling ‘Het verstoorde dorp: Leffinge 1939-1945’" Het is mijn betrachting zoveel mogelijk de originele openingscauserieën te publiceren. Teveel verdwijnen ze in een map voor het geselecteerd nageslacht. Op 22 december 2000 las Johan Vannieuwenhuyse, archivaris bij de Provincie West-Vlaanderen, zijn vernissagetekst voor. "Sta mij toe deze korte toelichting bij de publicatie van een
dorpsgeschiedenis en de openstelling van een daarbij aansluitende
tentoonstelling te beginnen met het formuleren van een gemeenplaats. Het
is namelijk een algemene vaststelling dat er geen enkele periode uit onze
Vlaams-Belgische geschiedenis meet bestudeerd werd - en nog wordt – en
zelfs nog vrijwel dagelijks in onze media aan bod komt dan de Tweede
Wereldoorlog en alles wat daar omheen hangt. Er zijn niet alleen de talloze filmische documentaire en
gedramatiseerde beelden die met de regelmaat van een klok op het
televisiescherm of in de bioscopen verschijnen en veelvuldig bekeken
worden – nog gisterenavond kwamen in de reeks Histories op het Canvasnet
de gevolgen van de repressie uitgebreid aan bod – daarnaast blijken
tentoonstellingen over het thema ook steeds aan te slaan (denken wij
hierbij alleen nog maar aan de megatentoonstelling ‘Ik was 20 in ‘45’
die in 1995 plaats vond in het Legermuseum te Brussel). Verder is er zeker ook de nimmer aflatende stroom artikels en boeken die elk jaar opnieuw over de periode 1940-1945 handelen en de ‘historische boekenmarkt’ steeds weer overspoelen. Vooral dit laatste – de literaire productie over het onderwerp – is werkelijk imponerend. In zijn onlangs verschenen aflevering van de ‘Bibliografie over de Tweede Wereldoorlog’ beschrijft Dirk Luyten van het Studie- en Documentatiecentrum Oorlog en Hedendaagse Maatschappij in niet minder dan 967 nummers alle door hem teruggevonden werken gedurende de periode 1997-1999. Dit betekent met andere woorden dat er gemiddeld per kalenderjaar zo maar eventjes 322 artikels en boeken of zeg maar een bibliotheek vol in dit verband geschreven wordt. Hoe kan die blijvende belangstelling voor de geschiedenis van deze
oorlogsperiode nu verklaard worden? Eerste en vooral zeker uit de
affiniteit met of de herkenbaarheid van het onderwerp. Nog maar 55 tot 60
jaar na de gebeurtenissen zullen veel mensen – ook uit Leffinge –
ongetwijfeld van hun ouders, familieleden of kennissen verhalen – al dan
niet overdreven of opgeblazen verhalen – gehoord hebben over 1940-1945
en zich daaromtrent beelden gevormd hebben. Verder zijn er natuurlijk de
spectaculaire en buitengewone aspecten die steeds verbonden zijn aan
oorlogsjaren en die de op sensatie beluste mens aantrekken: de vreemde
troepenbewegingen, de vernielingen, de armoede, de miserie, enz. Toch lijkt het mij dat er ook voor andere historische perioden zoals
voor de 30er jaren of voor de 50er jaren genoeg erkenbaarheid en
spektakelwaarde voorhanden is om toch ook een grote publieke aandacht te
verkrijgen. De geschiedschrijving van die laatste jaren (de 30er en 50er
jaren dus) blijft echter kwalitatief ruimschoots achterop hinken en moet
met een duidelijk mindere belangstelling rekeningen houden. Met de oorlogsjaren is er dus duidelijk iets buitengewoons aan de hand.
Dit ziet men in 1914-1918, in 1940-1945 en terug met de gebeurtenissen in
het voormalige Joegoslavië, Rwanda of waar ook ter wereld waar zich
vandaag oorlog voordoet. De gehele bevolking, ook de gewone man van de
straat, komt in die speciale leefomstandigheden in een soort permanente
stresstoestand terecht: er is van alles tekort, voeding, kleding en
dergelijke meer, men is gedwongen voortdurend met allerlei kleindagelijkse
beslommeringen bezig te zijn, de bezettende overheid vordert werkkrachten
op voor al dan niet verplichte tewerkstelling of dienstneming in het
leger, er is de latente fysische bedreiging, zekerheden kantelen en
verdwijnen, angst komt in de plaats, enz. Nu is het juist typisch aan een
permanente en algemene stresserende toestand dat de mensen zich minder
verdraagzaam en agressiever of meer uitgesproken gaan opstellen. Juist in
oorlogsomstandigheden zullen dan ook allerlei maatschappelijke
tegenstellingen van filosofisch-religieuze aard, van politieke aard,
zwart-wit tegenstellingen om in de terminologie van ’40-45- te komen en
noem maar verder op tot een soort explosie komen. In een normaal
leefklimaat zijn die tegenstellingen ook latent aanwezig, maar zij blijven
rustig voortkabbelen en worden ondervangen binnen de algemene
maatschappelijke context. Ze komen dan ook buiten oorlogsperioden weinig
of niet aan het licht en zijn bij later historisch onderzoek veelal
moeilijk te detecteren of te vatten. Tijdens de oorlogsjaren liggen de
samenlevingsverbanden en –tegenstellingen open en bloot en kunnen ze
zeer goed bestudeerd en getraceerd worden. En dit maakt naar mijn mening
de oorlogsperioden buitengewoon interessant en aantrekkelijk bij
wetenschappers en bij een breed publiek. Een fenomeen dat daar ook bij aansluit is de hoogbloei van het sociaal-cultureel leven. Uit persoonlijk onderzoek voor Gent enige jaren terug - en ik neem aan dat dit ook voor Leffinge en andere steden en dorpen mutatis mutandis zal gelden – blijkt dat er in de perioden voor of na 1941-1945 nergens een even druk en succesvol cultuurleven voorkomt. Veelal wordt dit verklaard door het slechte materiële leefklimaat. De mensen zouden eigenlijk wegvluchten in een imaginair beter sociaal-cultureel leven door filmvoorstellingen, muziekavonden, toneelvoorstellingen, dans- en feestavonden, tentoonstellingen, voetbal- of andere sportmanifestaties bij te wonen. Dit kan slechts een zeer gedeeltelijke verklaring van het fenomeen zijn, voor een groot stuk geeft het ongetwijfeld ook opnieuw te maken met onze voormelde ‘maatschappij in explosie’, waar veel heviger en intenser geleefd wordt. Dames en heren, Het boek en de tentoonstelling lijken mij bijzonder interessant en belangwekkend. Zij beperken zich niet tot een ‘histoire de la bataille’ of nog tot een of ander spectaculair facet van de oorlogsperiode zoals de beruchte collaboratie en de daarop volgende repressie. De auteur tracht daarentegen een totaalbeeld te brengen van een dorpsgemeenschap in transformatie tijdens de periode 1940-1945. Daarmee komt hij - waarschijnlijk onbewust – voor een stuk tegemoet aan het streven van de Franse historische school gevormd rond het bekende tijdschrift Annales die stelt dat juist voor de kleinste politiekinstitutionele eenheden (wij denken dan onmiddellijk aan de gemeenten) het ideale historische onderzoek opgezet zou moeten worden. Deze Franse school denkt dan aan de zogenaamde histoire globale, dit is het streven om binnen éénzelfde onderzoek of studie zoveel mogelijk alle maatschappelijk processen geïntegreerd te gaan bestuderen. De auteur heeft als chronologisch raamwerk de meidagen van 1940 met de Duitse bezetting en de bevrijdingsfeestelijkheden van 1945 genomen. Daartussen schets hij in een aantal hoofdstukken het dorpsleven en
projecteert dit geregeld tegen de achtergrond van ‘nationale’"
gebeurtenissen, wat soms bijzonder releverend is. Misschien komt hij niet
altijd tot een klare en duidelijke synthese in de onderscheiden
hoofdstukken of over het gehele boekdeel en bereikt zeker ook niet
volledig het concept van de geïntegreerde geschiedenis voorgestaan door
de aanhangers van de Annales. De auteur blijft in hoofdzaak beschrijvend,
descriptief en speurt niet naar schatergronden, verklaringen enz. Dit was
ook wel zijn bedoeling niet. Wel heeft hij alleszins de grote verdienste
massaal veel detailgegevens over Leffinge in de periode 1940-1945
verzameld te hebben, deze nu in een tentoonstelling aan de plaatselijke
gemeenschap aan te bieden en deze ook in gedrukte vorm vastgelegd te
hebben. Als archivaris van het Provinciebestuur vind ik het ook van bijzonder belang erop te wijzen dat de auteur zich ook niet beperkt heeft tot de bestaande literatuur of louter tot interviews met getuigen. Maar hij heeft omtrent zijn onderwerp heus archiefonderzoek verricht in het gemeentearchief van Middelkerke en in andere plaatselijke private archieven. Al te veel studies betreffende de Tweede Wereldoorlog zijn geschreven zonder toetsing aan het oorspronkelijke bronnenmateriaal. Alleen zou ik de auteur willen aanraden zijn onderzoek hiermee niet af te sluiten. Het Gemeentearchief zal inderdaad wel voor Leffinge het primaire bronnenmateriaal bevatten. Maar misschien zou het toch ook relevant kunnen zijn andere archiefdiensten te raadplegen zoals het Studie- en Documentatiecentrum Oorlog en Hedendaagse Maatschappij in Brussel dat een schat aan archief en documentair materiaal (zoals foto’s, affiches, de clandestiene pers en dergelijke meer) voor gans België bewaart. Daarnaast is er bvb. De Bestuursafdeling van de Oorlogsgetroffenen in Brussel, die in de regel de persoonlijke dossiers bewaart van alle gedeporteerden. Verder is er – en ik spreek dan een beetje voor eigen winkel – de provinciale archiefdienst West-Vlaanderen die heel wat archiefbescheiden bezit in verband met de lokale besturen en die ontstaan zijn ingevolge taken betreffende het administratief toezicht op bvb de lokale verkiezingen, de ordehandhaving en de epuratie. En zo zijn er zeker nog meer instellingen met interessant materiaal voor het lokaal historisch onderzoek ter zake. Voor meer informatie over verdere onderzoeksmogelijkheden kan hier best verwezen worden naar de interessante bijdrage van Rudi van Doorslaer over de Tweede Wereldoorlog in het eerste deel van het reekswerk ‘Hoe schrijf ik de geschiedenis van mijn gemeente?’ Dit reeds vier delen omvattende standaardwerk hoort eigenlijk permanent thuis op het nachtkasje van elke lokaal historische vorser. Daarnaast is er het nog uitgebreider overzicht van bronnen betreffende de Eerste en Tweede Wereldoorlog van Dirk Martin en José Gotovitsch in Bronnen voor de studie van het Hedendaags België, 19de –20ste eeuw (uitgegeven bij de VUBPress in Brussel in 1999). Dames en heren, Ik wil dit korte referaat besluiten en u niet langer afhouden van de
receptie. Het zijn juist degelijke microstudies van kleine dorps- of
stadsgemeenschappen zoals hier nu in verband met Leffinge die ons in staat
stellen de eerder aangehaalde ‘maatschappij in explosie’ tijdens de
oorlogsjaren te leren kennen en vatten. Binnen de lokale gemeenschap zijn
doorgaans alle strekkingen en tegenstellingen wel aanwezig. Men ziet ze er
in het leven van elke dag en op een kleine en perfect bestudeerbare
schaal, met name de gemeente. De kennis verzameld in deze microstudies of
dorpsgeschiedenissen over de periode 1940-1945 maken het ons mogelijk het
maatschappelijk leven in maximaal stresserende omstandigheden te leren
begrijpen. Maar ook alleen al omwille van het meedelen aan de mededorpsgenoten van
allerlei verzamelde historische gegevens omtrent de eigen lokale
gemeenschap en het meewerken aan de opbouw van een plaatselijk collectief
geheugen door middel van het voorliggende gedrukte boek en de
tentoonstelling, verdient de auteur alle lof. De opbouw van een collectief
geheugen levert immers een essentiële bijdrage om de medeburgers te
helpen zich kritische te vormen met de nodige zin voor de historische
relativiteit. Met dank voor uw aandacht." Archivaris Johan Vannieuwenhuyse, Provinciehuis Boeverbos, Koning Leopold III-laan, 8200 Sint-Andries Brugge, 050/34.71.66 (red. André Baert, 02/2001) |