"Het Verstoorde Dorp"

3. Fragmentjes

Leffinge: Ik wil afsluiten met een (aan)vraag aan het historisch geweten van Leffinge. Hoe kan Karel Jonckheere, van wie nog geen ‘openbaar’ borstbeeld bestaat in geboortestad en waarvoor zelfs Rijmenam geen naamplaatje vrij kan houden, in het vaderlijk Leffinge onthouden worden? Want hij had een hart en tijd voor dit dorp waaruit zijn familie aan vaders zijde stamt. Uit het vuistje vijf boeken waarin Leffinge de bron van zijn biologie heet te zijn. Enkele fragmentjes uit de ruime bibliografie.

"Mijn vader (zelf) was geboren in Leffinge, een dorp in de polder achter het kanaal van Plassendale en de vaart van Brugge-Nieuwpoort. Zijn vader was daar een klein boertje maar ook turfsteker en feitelijk heb ik aan hem gedacht toen ik jaren later dat gedicht schreef over die boer in Drente."(1)

"Te Leffinge in de dorpsschool had vader de ouderwetse wijze meegemaakt. ’s Winters, vertelde hij, moest elke leerling iets brandbaars meebrengen om de kachel warm te houden. Aangezien zijn vader ook turfsteker was, zeulde hij een klomp van die halfvergane varens mee, waartussen soms een schelpe steekt" (2) "…die zondagmiddag in september 1922. Op mooie dagen placht ik met mijn vader te voet naar Leffinge te wandelen, zeven kilometer ver. (…een voettocht door de lente naar de rustieke hoeve te Leffinge…" (3)) De kleine, witte hoeve waar hij in 1879 geboren werd, was bewoond gebleven door zijn zuster, tante Sylvie, en Nonkel Baziel…Ik herinner me nog altijd precies de plek …langs het kanaal van Plassendale naar Nieuwpoort, eer we de kiezelweg insloegen… (die verder liep) naar het bedevaartsoord Ten Putte in Gistel waar de heilige Godelieve in de jaren duizend verdronken werd op last van haar onstuimige man Bertolf die haar te kuis vond." (4)

"Leffinges dorpstoren klept, toeterend dendert het trammetje naar Diksmuide over de brug, op de hooischelf klaroent de haan met zijn Belgisch kokardeoog. Overmoedig blaft Duc me weg… (of is het Bas 1 en 2, waarvan de eerste "te oud was geworden en dat hij hem had opgehangen aan de geïmproviseerde gang van zijn driewielkar."(5)) Een dierenvriend… maar "slechts één keer in mijn leven heb ik een vogelnest geroofd, onder de goot van vaders geboortehuis te Leffinge. Ik deed het om tante Sylvie te helpen die anders geen regenwater door de verstopte buis kon opvangen. Zorgvuldig heb ik het nest met eitjes op een balk in het wagenhok gedragen, zodat nog een geringe kans overbleef voor wie verder wilde broeden." (6)

-Sylvie, jong, als ge niet met mij wilt trouwen, dan smijt ik u hier in het water.

-Zoudt ge er mij ook uithalen nadien?

-Waarom niet.

-Wel, Baziel, ik zie niet in waarom we ons alle twee moeten natmaken. Trouw gij dan maar met mij.

Dit beheerst dramatisch gesprek werd dertig jaar geleden gevoerd in de maand mei op een zondag na de mis. Precies op dezelfde plaats waar ik ben afgestapt, bij het smal houten bruggetje over het Geleed." (7)

En dat hij een belezen mens is: "…op zekere dag zei een van mijn schilderachtige en olijke ooms, Charles Moerman uit Leffinge, tussen zijn geweldige knevel en zijn baard, het West-Vlaams volksrijmpje op, waarschijnlijk ironisch ontstaan tegen d(i)e macht van het gedrukte: (8)

 

’t Staat geschreven en gedrukt

dat je moet scharten waar dat ’t j(e)ukt.

Hij bezoekt vaak zijn vaderdorp dat verstoord de oorlog doorstaat: "Ik zal wel niet gefusilleerd worden of als spion versleten als ik eens naar Leffinge reed tot bij onze brave tante Sylvie. De bedoeling was wat verse boter mee te brengen (of de bestelde wintervoorraad aardappelen op te halen) (9), als het corporatisme nog niet tot daar is doorgedrongen. Misschien viel er ook nog wat anders van de kar… Bij de Kalsijdebrug over de vaart van Plassendaele moet ik wèl afstappen van de niet gehelmde schildwacht…(ik) vertel hem dat ik met vakantie ben, want leraar, eens tot bij het geboortehuis van mijn vader wil rijden. Ik wijs het hem aan, niet zo ver, hoevetje met hoge witgekalkte gevel, duidelijk te zien, langs die kanten werd veel turf gestoken in grootvaders tijd, zodat de bodem heel wat lager ligt dan hier langs de vaartdijk… Achteraan op de fiets had ik in een schoenendoos twee halve kilo’s verse boter mee en elf eieren, rustend op wat overjaars gras. We zullen alles onder de familie verdelen, wat werk is voor mij vrouw. Ik voel me langsom meer ekster worden, nestdragers anders gezegd. De splitsing van de buit is dameskarwei."(10)

Toen hij studeerde haalde hij zijn ‘leergeld bijeen door "twee keer per dag naar Leffinge (te fietsen) om twee stopen melk te halen, die ik dan bij de klanten (van de kruidenier in de Paulusstraat waar zij woonden) bestelde.

Leffinge is ook de bron van alle informatie: "Wat tante Sylvie me niet had verteld, vernam ik van een nicht-bakkerin in Leffinge-dorp," of bij "de moeder van het bakkerinnetje, nicht Emma, (die) conciërge(was) in Leffinges gemeentehuis. Op het plein voor de kerk, waarnaast alle graven van mijn voorouders reed waren omgespit voor recenter doden…" (11)   "Leffinge-van-de voorvaderen, tussen zijn scheefgewaaide populieren…" (12) die hij met pijn in het vluchtend hart passeert in mei 1940: "Wat we thans traag aan het afrijden zijn, liep ik sedert mijn zesde jaar honderden keren te voet af naar vaders geboortehoevetje ginds achter de Plassendaalse vaart te Leffinge. De dorpsplaats was er nooit zo leeg. Het is waar, ik reed hier nooit zo vroeg. Bij de brug plons ik in volle realiteit. Daar staat een gehelmde Belg." (13)

Karel Jonckheere verdicht de anekdote van Leffinge in "Band" (14)

Teerheid wijdt het licht om Moeders oud gelaat,

doch uw gestalte, Vader, rijst in forscher trekken,

uw dorp met volk en toren klinkt in uw gesprekken,

uw blik is onze lucht, die blauw van goedheid staat.

Er ligt iets dieper in elk woord en elke stilt’,

wanneer wij, man naast man, gaan zwerven langs de wegen,

elk lovende de Vrouw, die, als een vreemde zegen,

ons beider hart met klare rust berilt.

Uit uw verinnigd hunkren, tot uw droom gegroeid,

leef ik uit al mijn zinnen uw volledig leven:

heeft Moeder mij haar milden weemoed meegegeven,

het is uw polderland, dat wijd in mij herbloeit.

(André Baert, 02/2001)


(1) Joos Florquin, Ten Huize van, Davidsfonds Leuven, 1969, p.15

(2) Karel Jonckheere, De vogels hebben het gezien, Desclée de Brauwer Brugge-Utrecht 1968, p.18

(3) Karel Jonckheere, Waar plant ik mijn ezel, Manteau Brussel-Den Haag 1974, p.17

(4) Karel Jonckheere, Vraag me geen leugens (over schrijvers), Manteau Antwerpen 1986, p.61 ev.

(5) Karel Jonckheere, De vogels hebben het gezien, Desclée de Brauwer Brugge-Utrecht 1968, p.130

(6) Karel Jonckheere, De man met de ruiker, Manteau Brussel-Den Haag 1977, p.261

(7) Karel Jonckheere, Mijn dochter wordt sirene, Manteau Brussel-Den Haag 1975, p 9 ev

(8) Karel Jonckheere, De vogels hebben het gezien, Desclée de Brauwer Brugge-Utrecht 1968, p.20

(9) Karel Jonckheere, De man met de ruiker, Manteau Brussel-Den Haag 1977, p.54

(10) Karel Jonckheere, Verbannen in het vaderland, Manteau Brussel-Amsterdam 1978, p.176 ev

(11) Karel Jonckheere, De man met de ruiker, Manteau Brussel-Den Haag 1977, p.57

(12) Karel Jonckheere, De man met de ruiker, Manteau Brussel-Den Haag 1977, p.158

(13) Karel Jonckheere, De man met de ruiker, Manteau Brussel-Den Haag 1977, p.197

(14) Karel Jonckheere, o.a. Klein Testament, Steenlandt Kortrijk 1938, nr 261/300, p.9