NIEUWE POEZIEBUNDEL van

PIET LABIAN

Naar gesmaakte gewoonte heeft Piet LABIAN ook dit jaar zijn gedichten geselecteerd en in eigen beheer gepubliceerd. In "Gedichten van 2001" staan 20 werkstukken waarin de repetitieve taal of het spelen met zich herhalende klanken of woorden dat zo eigen is aan zijn poëtische stijl, duidelijk en sterk bespeeld worden. Dat herhalen wordt bijna een obsessie omdat daaruit afgewerkte korte bundelingen van woorden ontstaan die een gevoel van liefde of een bevestiging van afzondering uitklinken. Uitklinken in de betekenis van de geometrie van de klanken en de woorden die picturaal duidelijk in de werken staat.

Een voorbeeld. Sta me toe dat ik me heel eigenzinnig verdiep in de woordenpracht die met het steeds herlezen frivoler wordt. Noteer ook het spel rond glas en helder. Het contrapunt wordt dan plots binnenskamers getrokken naar de ogen die niet over zichzelf spreken maar over wat een andere er in herkent, dus reeds gezien heeft.

 

Staan in zonnegloed

de rozen op de vensterbank.

Staat het raam open

het raam met ruiten van helder glas.

Weerkaatsen de ruiten heldere rozen,

heldere rozen in je ogen

op de achtergrond

van het raam van helder glas.

Dit is duidelijk een geconstrueerd gedicht. Daarom nog niet doorgedreven verbeterd dan wel intuïtief ontstaan en naar dat herhalen aangezuiverd. Onbewust gaat het over de tijd. Over het verplaatsen van een observatie naar een visueel kader. Hier is het oog en de roos tastbaar, maar is glas en helder de materie waarover het gaat.

Ook de handen – die een enkele keer bidden in ‘Breng je handpalmen samen’ - en de lippen, het hart spelen hun sensorische rol. Maar het zijn vooral die ogen die het leven wil catalogeren naar de druk waarmee gezocht wordt naar een soort geluk dat zelden bereikt kan worden zoals in ‘Storm’

Zuiver ziedt de ziedende zee

storm in mij

Het ritme van de ‘Z’ zoals in zij, het verlangen om van ‘je’ tot ‘ons’ te komen in ‘Met licht in de ogen...’ Of de ‘Blanke Bloesem’ met

...wit in jou

...zon in jou.

Maar telkens weer komt er die tijdsgrens die vaak tergend taalloos overkomt zoals ‘Snelweg’:

 

in een waas van tijdelijkheid

... zo glijden zij alle.

en misschien alles samenvattend in ‘De Roos’

In de diepste diepte

van onszelf zien wij

een roos ontluiken

uit haar geslotenheid

en in haar bestaan

tijdloos blijven

tot het einde van ons bestaan.

En heel even is er een mythische Marja, een sensuele Alexandra, een dode Hyacintha in ‘Ik zag de kleine Hyacintha...’ met de rozenkrans waarbij naar het eind toe een soort refrein ontstaat:

Ik zag de kleine Hyacintha

op haar sterfbed liggen

de ogen reeds geloken,

een rozenkrans

om de tere vingertjes.

Zij was

met haar blank zieltje

de eeuwigheid al ingegaan

De ogen reeds geloken,

de eeuwigheid al ingegaan.

En dan ook een muziekkapel met ‘Klanken klinken heldere klinkers’. Ik wil deze bundel aanbieden met een totaal ander soort stukje frisse poëzie dat ook met klanken speelt, maar zo lentevrij over het blad leeft.

 

Zeer kleine balletschool.

Op de tip, op de top,

op de teentiptop,

dansen de meisjes.

Zwaaien wit de tutu’s,

zwaaien zilver en wit

de ballerina’s.

Op de tip, op de top,

dansen de meisjes,

op de tip, op de top,

op de teentiptop.

 

André BAERT

(samenvatting in Embryo van Kunstcentrum De Peperbusse)