|
Bij een feestrede horen data. En dat
data vaak een eigen leven leiden, hoort ook bij die
feestelijkheid. Hoe dan ook: aan de basis van wat nu
Filmclub 62 heet, liggen twee mastodonten van eigensteedse
cineasten. Henri Storck die de ‘betere’ film naar
Oostende bracht en Raoul Servais die met de Servaisgrafie
ciné-geschiedenis gemaakt heeft.
In "Film en amusement" (1956)
noteert de auteur John B Knipping: "Enkele maanden
geleden vertrouwde Henri Storck, de bekende Belgische
regisseur, ons zijn vrees toe, dat binnen niet al te lange
tijd de film dezelfde weg op zou gaan als de meeste andere
kunsten, namelijk dat hij slechts voor een select publiek
aanvaardbaar zou zijn. Ook dit zou te betreuren wezen,
want daarmee zou een groot stuk volksvermaak verloren
gaan." (p.8) Zo’n vaart heeft het niet gelopen. Er
is wel een duidelijk verschil tussen de ‘artistieke’
en de ‘populaire’ film gekomen. De koerszetting in het
Interbellum was wel een kwestie van afwegen en laten
afwegen, van moraliteiten: "Het wantrouwen tegen het
vermaak is haast zo oud als de mens. Het neemt toe
naarmate zijn religieuze natuur zich meer ontplooit, in
banen geleid en onder leer- en leefregels gesteld wordt.
Het komt van hen, die – al of biet daartoe geroepen –
om eigen zielenheil en dat van anderen beducht zijn. Ze
zullen in hun wantrouwen altijd gelijk hebben wegens de
grotere vrijheid, die de zich vermakende mens aan zijn
gevoels- en passieleven toestaat. Dit wantrouwen vindt
vaak versterking in een zekere ethisch gerichte
vermaakangst." (p.53) Een toestand die in de
Verenigde Staten een halve eeuw later ofwel herontstaat of
verstevigd wordt. Gelukkig kende de Lage Landen voldoende
vrije gedachten – zoals bij Henri Storck – om die
verscheidenheid in de hand te werken in het voordeel van
beide stijlen. "Wie naar de film gaat om zich te
vermaken, loopt, bij waardevolle vertoningen althans, de
kans ook esthetisch ontroerd te worden, zodat hij de
bioscoopzaal verlaat met verrijkte geest en gemoed."
En "het is zeker wel nuttig films te leren
zien." (p.103)
Dit zouden de doelstelling van een
filmclub kunnen zijn. Bij Henri Storck noteert Patrick
Vanslambrouck in ‘Sto(r)ck-shots (*) in Oostende aan zee’:
"… de films die de club heeft weerhouden zijn enkel
en alleen gemaakt door en voor het oog." (p.8) Raoul
Maelstaf onthoudt de andere doelstellingen van de
Oostendse Filmclub ofte Club du Cinéma die Storck in 1928
opstartte: "Contact nemen met de film in zijn
zuiverste vorm en in het stadium van zijn actuele
ontwikkeling." (p.11) De andere doelstellingen waren
te hoogdravend en strookten niet met de latere ideeën van
Henri Storck (p.12) Daartegenover maar eigenlijk
parallel daarmee staat de uitspraak van Robbe de Hert in
Focus Knack van 20.08.2003: "Je moet weten dat film
in de eerste plaats ontspanning voor de laagste klasse
was. De burgerij ging niet naar de bioscoop, die
hield zich bezig met filmcultuur in Fikmclubs. De
cinema was te vulgair. Er hing een smet over."
Of Storck nu de eerste was met zijn
filmclub? Tijdens de persviering 40 jaar Filmclub 62
poneert de woordvoerder 1927 voor de Oostendse Filmclub
van Storck. Patrick Vanslambrouck noteert 15.02.1928 als
startdatum van de Club du Cinéma, nadat Storck op
11.02.1927 ‘de filmclub’ in Brussel had bezocht.
Walter Debrock stelt het anders in de Hommage en
Oeuvrecatalogus van 1997: De ‘Club de l’Ecran’ in
Brussel is van latere datum: 1931. Maar eigenlijk heeft
niemand enige hoofdpijn door die data. Denk ik.
En de gevierde? Gestart in 1962 als ‘Het
Rode Scherm’ en in 1968 als ‘Filmclub 62’, was de
bron aanvankelijk heel links gericht, omdat toen precies
daar de vernieuwende kracht lag. Russische historische
films, Franse geëngageerde thema’s en Duitse gefilmde
filosofieën. De Angelsaksische zijde mocht zorgen voor de
tweestrijd tussen kapitaal en proletariaat in het
verzengende Zuiden of het corrupte Londen. En die films
werden ook zo besproken en benaderd. In de kleine
vergaderruimte van De Noordstar in de Jules
Peurquaetstraat. Op de persconferentie vroeg iemand sluiks
naar ‘de putsch’ van 1970. "Die er geen
was", is het antwoord. Er is sprake van een ‘verruiming’
of noem het verlichting van de verzuiling die ook in de
toenmalige BSP zou doorgevoerd worden. Links links moest
in de hoek. De film kreeg haar diepzinnige vrijheid.
"En vorig jaar dan", vraag iemand me na de
voorstelling. Ik stap hoofdschuddend naar mijn
pleintje in de schaduw van "d'Ofgebande Kerke"
André Baert
27 augustus 2003 |