|
Het ‘kamerconcert’ start met de
sonate op.30 Nr.3 in sol groot van Ludwig van Beethoven
waarbij de inleider duidt op de evenwaardigheid van viool
en piano die Beethoven zoniet introduceert, dan wel
benadrukt. Daarna volgt de Sonate in la groot van César
Franck, een cyclisch opgebouwd ‘huwelijksgeschenk’
voor een vriend.
Een opgewekt publiek luistert vanaf de
vier zijden, drie hoog, gefascineerd naar de dialoog van
de verfijnd bespeelde instrumenten. Van dit eerste deel
onthouden we de zucht van de snaren binnen deze
overtuigende akoestiek en het temperament van de beide
klankartiesten.

|
|
De passie in deel twee laat ons de
efficiëntie van het vorige uurtje vergeten. Een
drieluik waarvan het middenstuk de Poème op.25 van Ernest Chausson is en waarvan men
zegt dat hij met dit stuk het zelfvertrouwen in het
componeren heeft gevonden. Om dan te plots te
sterven. Met dit vertederende stuk klankpoëzie toont
violiste Valya Dervenska haar meesterschap. Zonder
partituur, met haar broze en jonge lichaam in de golven
van het gedicht en de ogen naar de muze, laat ze opnieuw
de snaren zuchten naar sereniteit. Aan beide zijden staan
Bulgaarse componisten. Eerst Parashkev Hadjiev, een
leerling van Pancho Vladigherov die het concert mag
afsluiten met de Rapsodie ‘Vardar’ op.16. Beide
stukken hebben van het modernisme de ritmesprongen
onthouden, waardoor de uitvoering kan groeien naar een
virtuositeit die iedereen in de ban van de gewreven of
aangeslagen snaren houdt. Fors, soms met een zwaar ritme
dat de luisteraar de keuze laat tussen een kunstwerk of
een intens verhaal. |