Provinciale Prijs Schilderkunst

Van het "August Vermeylenfonds."

 

Bredene (1) - Het Anto Diezcentrum is zo’n locatie waar talenten gezocht en getoond worden. Bijvoorbeeld aan de hand van de Jaarlijkse Provinciale Wedstrijd voor Schilderkunst van het August Vermeylenfonds Bredene. Naar aanleiding van de proclamatie (2) houdt voorzitter Etienne Vercarre telkens een soort pleidooi voor de ontplooiing van de ‘amateur’. Een korte toespraak waarvan de zinnen als boekdeel over een uurwerkplaat slenteren. Popelende deelnemers schuiven na de eerste alinea te vlug van de ene op de andere voet. Ieder jaar opnieuw. De ernst van dat moment. Mooi opgezet, soms met een accentje ondeugendheid, veel zwartkijken naar de familie die in een clustertje – akelig woord – tussen de bronzen neus van Diez en de blote borst van Duriez te laat naar binnen stappen. Snoepers. Alle twee.

De gastdame en heer ontvangen. "Ik kom vroeg" zegt mijn enige tafelgenoot boven het gewoel. Hij allongeert zijn monoloog tussen vloer en trapleuning. "Dan kan je ze allemaal bekijken zonder dat duwen en trekken." Beneden stijgt het geroezemoes boven de ellebogen. Een tiental weten sedert gisteren dat ze er niet bij zijn. Van de 30 anderen werden de twee werken aan muur gehangen. 10 daarvan hebben prijs. Wiens hoge schelle klank verdoezelt de vlinders in de buik?

En telkens weer, iedere jaar opnieuw, komt de stilte onaangekondigd. De politici schuiven in. De sprekers hanteren opzichtelijke teksten, soms is er een streng opstarende blik, mateloos verloren over de massa zoekend naar die ene laatkomer die de ernst van het woord zal breken. De duizendste tik op de microkop en de toverformule van dames, (juffrouwen), mijne heren….

"De Provinciale Wedstrijd Schilderkunst is aan zijn 23ste editie toe en daarom past het even terug te blikken op het verleden. Bij de start van deze wedstrijd zag het kunst- en kunstenaarslandschap er totaal anders uit. In het bijzonder de schilderkunst leefde toen nog in een academische en elitaire sfeer. Vandaag staat als gevolg van de democratisering en de toegenomen vrije tijd, de kunstbeleving in een andere context. De volwassenvorming in de schilderkunst via de academies en via allerlei privé-initiatieven is fel toegenomen, zodat het aanbod aan schilders eveneens enorm groot is. Dit leidt niet noodzakelijk tot vervlakking, integendeel. Alleen wordt de strijd voor erkenning er wel groter en moeilijker op. Hoe dan ook: wie met zijn werk naar buiten komt, verwacht ergens een positieve evaluatie voor de geleverde prestatie. Een wedstrijd kan hiervoor kansen bieden. Ook daar is het aanbod er sterk op vooruit gegaan.

Verheugend is ook vast te stellen dat een groep van diverse kunstkenners, die de diverse jury’s bevolken, er toch telkens weer en onafhankelijk van mekaar in slagen de kwaliteit te doen primeren. Dit betekent meteen, dat zij die de stelling genegen zijn dat democratisering in de kunst een vervlakkend effect heeft; het niet bij het juiste eind hebben. Het ‘hobbyschilderen’ en ‘amateurschilderen’ kunnen dus zonder twijfel bijdragen tot een hogere kwaliteit van de kunstproductie en kunstbeleving. In dat licht is het evident dat ook de niet-geselecteerden en niet-geprimeerden een waardevolle bijdrage leveren tot de democratisering, popularisering en kwaliteitsverhoging van de kunst. Ook zij verdienen alle lof en waardering en dat moet hen stimuleren om de ingeslagen weg van de vervolmaking met veel enthousiasme verder te bewandelen.

De Laureaten

Aan de hand van de tekst van de voorzitter van de jury Staf Debleecker, zelf eminent marineschilder en naar aanleiding van de lentetentoonstelling met de drie laureaten, hebben we dit onthouden: de drie laureaten (3) hebben iets uitbundigs in zich. Alsof de duistere twijfels, de zoektocht naar nieuwe horizonten, de onzekerheid over de eigen waarde plaats gemaakt hebben voor een nieuwe frisheid: in het verhaal, in de techniek, in een realiteitsgevoelige contoure. Waarna de laureaten bekend gemaakt worden.

De officiële presentatie van de drie laureaten van een wedstrijd maakt iedereen een beetje bang. De genodigden omdat het niet alledaags is, maar ook de juryleden die pas dan te zien krijgen of de keuze die ze via die twee representatieve werken hebben moeten maken juist is. En of die keuze eigenlijk overeind blijft wanneer meerdere werken van één gelauwerde gepresenteerd worden. Waar zijn de garanties?

Die moet je van een inleider krijgen. Roland Laridon deed de honneurs vanaf een blad papier waar ik geen tekst zou kunnen uit maken. Hij had het in één van zijn notoire intro’s over het pastorale van de locatie (ik hoor ook getjilp), lijft Magritte in alles grondlegger van ‘Alles Kan’, bekent dat kunst eerst en vooral fascinatie moet zijn en dat de grenzen telkens weer hertekend moeten worden. Hij overtuigt iedere aanwezige van zijn gelijk wanneer hij de plastische schoonheid naast universeel en Europees ook lokaal Vlaams, West-Vlaams en Kust-Vlaams noemt. Waarna de prijsbeesten uitgelegd worden. Van 3 naar 1.

Oswald Devrieze (Torhout 1926) is geen onbekende voor de regelmatige liefhebber. Hij behoort tot de soort aquarellisten die pertinent bij zijn vaardigheid blijft, niet experimenteert en dus een van de zekerheden is op deze tentoonstelling. Het maritieme gebeuren, het landschap. Het klinkt intensief en werd vroeger ook als dusdanig uitgerangeerd. Maar in deze langdurige periode van zoeken naar kunde, metier, vakkennis en respect voor de fundamentele academische basiswaarden, groeit de waardering voor dit werk. De inleider streelt termen als ‘uitbeelding en indrukken die ragfijn getekend worden in een beperkt aantal kleuren in een gevoelige waterverf. Springlevend, fris. Dit is schoonheid met de nadruk op die sepiagekleurde werkjes waarvan eentje het kerkje van Ensor is en de andere het geprezen dubbelbeeld op motorboot is.’

André Watteeuw (Brugge 1934) brengt het landschap op een transparante, zeer eenvoudige en louterende wijze . Het zijn evocaties, suggesties, panorama’s die tot essenties verminderd worden en waarop gedipte verf het detail of de anekdote wil zijn. Dit is materie; de kleur is de inhoud.

Christine Dujardin (Ieper 1949) Ik denk 10 jaar deelnemen te mogen lezen. 10 jaar mee zijn en telkens ergens mogen bij aanschuiven. En nu eerste. Waarom? De inleider spreekt of sterkte, kracht, uitbundige koloriet, kinderlijkheid in de betekenis van spontaan, open, ontvankelijk en volfantasie. Het zijn opeenvolgende tafereeltjes die in het afgewerkt doek een enthousiast geheel worden. En dan wordt de inleiding een enthousiaste performance waarbij het werk accenten van Alechinsky, Chagall en Clee meekrijgt

André BAERT

11 mei 2001

(1)De tekst werd op 17/11/2001 aan de dienst Toerisme en Cultuur Bredene gemaild.  Er werden geen opmerkingejn gemeld.

(2) 30/03/2001

(3) Anto Diez Centrum Bredene van 11 tot 27 mei 2001