THEOBALD’S BOOTHUISJE

 

Oostende - Sedert april 2002 heeft Galerij ‘Theobald’s Boothuisje’ zijn deuren geopend. Hierna geven we een verslag van de vorige expositie Maurice Boel en Jan de Lee. Er is ondertussen een nieuwe expo aangekondigd.

Art Nouveau

Officieel heet het dat de Vlaanderenstraat 17 aan de straatzijde 2,60 meter breed is over drie verdiepingen en een kelder, gebouwd in 1900 door stadsarchitect Theobald Vanhille in de Art Nouveau stijl en sedertdien geklasseerd of beschermd. Jan Guillemin is plastischer in zijn omschrijving: "Met dat dingetje staat er iets te gebeuren en het is zeker een stukje waard: vooraan slechts 3 meter, een façade van vuil bruin maar we vonden het altijd één van de mooiste pareltjes in onze Oostendse architectuur" (Tijdingen 22.03.2002)

Ikzelf herinner me daar een kledingzaak (tweede vestiging) van de gebroeders Retsin, die ook naam hebben gemaakt als kunstenaars. Ik vraag me af hoe het hen vergaat. Was hun vast locatie niet ergens in Blankenberge, nest waar ook Maurice Heydens boel maakte. Van waar boothuisje komt is duidelijk: net boven de inkom mondt de basis van de eerste verdieping uit in een boeg van een galjoen.

Tom van Mieghem is de renoverende architect. (GLO in Het Nieuwsblad van 12.4.2002)

Art Actuel

De expositie is geen sarcofaag voor overleden pioniers. Het gaat wel over relatief recent gestorven kunstenaars die Oostende als thuisbasis hadden. We moeten uit hun legaat onthouden dat ze een trap zijn in de evolutie van het kunstgebeuren in deze stad. De uitstraling over de locale grenzen is uiteraard voor de kunstenaar zelf heel belangrijk. Zeker wanneer er een verzamelaar op af komt. Ik denk ook graag aan de kunstenaar als directe inspirator voor de jongere academiestudent die het aandurft te leren uit de composities van zijn voorgangers.

Nu weet ik dat dit relatief klassiek klinkt. Op verschillende momenten heb ik Willy Bosschem datzelfde criterium weten hanteren en propageren tijdens vooropeningen, terwijl een aantal mensen in de zaal hun wenkbrauwen fronste. Er is nochtans geen enkele bezwaar tegen het bestuderen van voorlopers en uit hun pogingen om het ultieme schone – naar beperkte visie, waarschijnlijk – te bereiken, op te maken wat duidelijker naar een authentieke stijl kan leiden. Noem het: je moet niet altijd opnieuw het warm water willen ontdekken.

Jan de Lee & Maurice Boel

In Theobald’s boothuisje stonden en hingen dus de werkstukken van twee Oostendenaars. Jan de Lee (Oostende 1932-2000) en Maurice Boel (Oostende 1913-1998)

Jan de Lee

Jan de Lee is van nature een stilist die vanuit zijn broninteresse voor de fauna en flora van de zee een lijnvoering gekozen heeft die de zeeattributen en de personages duidelijk aftekent tegen een niet opeisend decor. De stijl van het vereenvoudigen tot essenties waarbij vaak de rand van het aantrekkelijke wordt benaderd. ‘Toen’ was dit een vies woord, maar nu wordt zonder pretentie meegegaan met deze kunstgreep. Het enige nadeel, als je het zo mag noemen, is een gebrek aan diepgang. Er is een verhalende anekdote die plastisch zeer mooi getoond wordt, terwijl de contoure zonder poëtische opdracht overgelaten wordt aan de kijker. Lijnen dus die heel precies een object trasseren en die een beperkte invulling met details en kleuren verdragen. Ik durf te stellen dat Jan de Lee in de traditie van Gust Michiels en Bert Vanheste werkt. Neem daar nog een Marc Plettinck bij en vaagweg de beginstukken van een Minnebo, en je hebt de verzameling Oostendenaars die te weinig naast elkaar getoond worden. Simpelweg omdat ze zo gelijklopend werken. En onder ’levende’ kunstenaars is dat niet meteen het grootste streefdoel.

Maurice Boel

 

Maurice Boel is ook een uitzuiverende kunstenaar maar dan met een enorme aandacht voor de kleur zoals het een aanvankelijk expressionist toekomt. Uiteindelijk is de zware dominante verf de basis waarop het veelal verticaal teken wordt gezet. Nu ja: teken is iets te weinig. Die kleur geeft in haar aandacht een hand om samen naar de poëtische onderlagen te gaan. Op zoek naar nieuwe essenties die alles te maken hebben met een zoektocht naar evenwicht tussen locatie op de drager en de diepgang tussen de lijnen en de kleuren. Bij Boel denk ik vaak aan meetkunde, aan veelhoeken, aan ovalen en cirkels die in hun ascetisch leven gestoord zijn door de materieliefde van Boel. Maar ook Boel heeft zich verdiept in het minder dubbelzinnige. Zijn Ensor, gemaakt naar aanleiding van het Ensorjaar hangt momenteel in het kabinet (…) van de Burgemeester. En die burgervader wijst daar altijd fier naar, wanneer een troepje schoolkinderen binnenstrompelt.

Dus de afscheidsnemers hebben gelijk. Boel en De Lee exposeren postuum samen. Verstild in de laatste werken. In elkaar vermengd maar mijlen ver van elkaar.

Volgende tentoonstelling.

Van de galerijuitbater ontvingen we volgend bericht.

"zomers7gangenmenu"

De vernissage is op zaterdag 15 juni van 16.30 tot 18.30 uur, in aanwezigheid van de kunstenaars én met muziek (viool miniconcert, Ann-Sofie en Dirk Lievens).

Verder openingstijden: vrijdag, zaterdag, zondag van 15.00 tot 19.00 uur en op afspraak.

Wij bieden een gevarieerd menu!

Vier schilders.

- Robbert Fortgens:  't grootse abstract expressionistische gebaar, kleurrijk, intuïtief –associërend, grillig.

- Ben Hens:  eveneens abstract expressionistisch maar ingetogen, met een afgewogen spanningsvolle vlakverdeling.

- John van der Valk:  figuratief/abstract, in vage contouren steeds weer de mysterieuze blik onderzoekend van zijn "madonna's".

- Ellen van Toor: kleine gedetailleerde vertellingen in ets en collage vorm over "ruimte van de beperking"; gevoelig en met humor.

Drie beeldende kunstenaars.

- Gilbert Hockers:  glaskunst, geïnspireerd op de zee, krachtig, in een gedurfde, de ogen dwingende vormentaal

- Irene Oostdam: oorspronkelijke ringen en hangers met een brût uitstraling en eerlijke afwerking.

- Marión van der Schelde: beelden van multi-materialen die al een leven geleefd hebben in een nieuwe respectvolle context.

 

U mag van ons een bespreking verwachten.

André Baert

04.06.2002