N.O.T.
09.04.2007

 

Boekenwijsheid: ieder zijn god

 


Boekenwijsheid

Ik ben altijd op zoek naar iets nieuws. Een nieuw woord, of een nieuwe betekenis voor een woord dat teveel zomaar gebruikt wordt. Spiegel bijvoorbeeld. Of kennis. En als ik dan iets daarover in een oud of nieuw boekje vind, dan wil ik dat doorgeven. Siddhartha bijvoorbeeld zegt (eigenlijk is het Hermann Hesse, uitg. Liège 1947) dat ‘leren’ niet bestaat. We kennen alles al. Dat is een stevige basis voor mijn zo geliefde Filosoferen met kinderen en jongeren, omdat door een gesprek zoveel meer uit de denkende mens kan gehaald worden. Maar je kent niet alles, want je leert nieuwe combinaties en je komt tot nieuwe ideeën. Wanneer Siddhartha zich aanvankelijk laat leiden door de schoonheid van Kamala, laat hij zijn passie wegebben voor een ingefluisterde ‘juistheid’ die ook in hem zou zitten. De tegenspraak dus: wat ik wil kan ik benutten of beletten. Maar wie maakt de grens? De gedachte, een geïmporteerde godheid of een zelfgecreëerde diviniteit die dus zoveel ladingen en tegenladingen heeft als de bedenker zelf? De twijfel, de onzekerheid, de drang naar bewijs. Wanneer die drang de zoeker ongelukkig maakt, is hij op weg naar zijn eigen grote waarheid. Wanneer herken je dat geluk? Als je een soort liefde voelt. Voor wie of voor wat? Voor een gevonden resultaat. Wat je wilt hebben, maak je zelf uit, door de grens of het verlangen ook zelf te bepalen aan de hand van wat je onderweg onthoudt. Onthouden is van alle mensen en voor elk mens afzonderlijk eigen. Dus gelijklopende eindmeten, als je ze vergelijkt, maken goden. Maakt de dienst uit aan die goden. Alleen zij die geen goden opnemen, blijven ongekend. De dood mystificeert dat ultieme geluk waarvan de zoeker altijd te kort geniet. Dus wordt genieten voor hem uit geschoven en stap na stap wordt het goedgevoel genegeerd om gevoeliger naar iets meer te zoeken. Die staat van weten en ontkennen of niet-genieten voedt een hunkering die teveel gewicht meesleurt. Het leven biedt meer dan zo’n soort pijn.

Boekenwijsheid

Goden werken ook met woorden, met letters. Wanneer de ‘priester’ het heiligdom van de Klarische Apoloon (omstreeks Samos) betreedt, haalt hij uit het aantal en de namen van de aanwezigen, aangelengd met het water uit een geheimzinnige bron, als ongeletterde de mooiste spreuken naar boven. (Tacitus, Annalen) Die priester moet een soort middenman zijn. Iemand die zeer goed geïnformeerd is. Die weet wie aan zijn deur (of orakel) staat en wat die bepaalde persoon graag zou horen. Hij is geen toe-gever, geen geschenkenmaker, maar een diplomaat of dan toch de berichtgever van diplomatische signalen. Wie stelt de vraag aan het orakel en wat is zijn mogelijke motivatie? Welk antwoord is goed voor hem? En is dat even aanneembaar voor de anderen die hij vertegenwoordigt? Een antwoord uit de diepte van een orakel heeft politieke en culturele gevolgen. Uit de klassieke literatuur onthoud ik alleen de vraag naar bevestiging van een wapenfeit bv. Of nadien begrijpen waar het verkeerd is gegaan. Het is met de goden anders gegaan. Die worden als beeld meegenomen en te pas en te onpas betast om zekerheden te voelen. De kus op een kruisbeeldje om de hals is een herinnering aan een zekerheid die door een godsdienst aangeboden wordt. De materiële aanwezigheid van het onbekende maakt de schrik kleiner omdat aan de grens van het niet-weten iets tastbaars wordt voorgesteld. Maar je moet er dan wel in geloven. In die zin kan je de lichaamsdonatie zien als een geloof in verder-zijn (niet leven) en dus een brug naar na de dood.

Boekenwijsheid

Ik wil ter afronding nog even een standpunt toevoegen: in de christelijke wereld draait alles rond schuld en hoe die schuld kan ingelost worden door een goed leven om nadien des te cleaner aan een tweede luchtiger leven te beginnen. Het Boedisme waar Siddhartha mee worstelt, geeft dit soort raad: “Je vois la Mort comme la Vie, le péché comme la Sainteté, la prudence comme la Folie, et il doit en être ainsi de tout; je n’ai qu’à y consentir, qu’à le vouloir, qu’à l’accepter d’un coeur aimant.” De hoofdletters komen uit de Franse versie, de nadruk ligt dus taalkundig al op de positieve kant, waardoor de rest niet-positief is maar de naam negatief niet meekrijgt. Er is een tastbare sfeer van ‘iets’ en dus van een soort god. Die god misschien die ook in de AA-broeder- en zusterschappen wordt aangeroepen ter ondersteuning. Het is geen god, maar hij helpt wel. De taal die men gebruikt is die van zich openzetten voor iets onbekends dat zou kunnen helpen. De ultieme hulp en sta er voor open want je weet maar nooit. Er is zo weinig vertrouwen in het zijn vanuit en in de mens zelf.

Boekenwijsheid

Ik wil ter afronding nog even een standpunt toevoegen: in de christelijke wereld draait alles rond schuld en hoe die schuld kan ingelost worden door een goed leven om nadien des te cleaner aan een tweede luchtiger leven te beginnen. Het Boedisme waar Siddhartha mee worstelt, geeft dit soort raad: “Je vois la Mort comme la Vie, le péché comme la Sainteté, la prudence comme la Folie, et il doit en être ainsi de tout; je n’ai qu’à y consentir, qu’à le vouloir, qu’à l’accepter d’un coeur aimant.” De hoofdletters komen uit de Franse versie, de nadruk ligt dus taalkundig al op de positieve kant, waardoor de rest niet-positief is maar de naam negatief niet meekrijgt. Er is een tastbare sfeer van ‘iets’ en dus van een soort god. Die god misschien die ook in de AA-broeder- en zusterschappen wordt aangeroepen ter ondersteuning. Het is geen god, maar hij helpt wel. De taal die men gebruikt is die van zich openzetten voor iets onbekends dat zou kunnen helpen. De ultieme hulp en sta er voor open want je weet maar nooit. Er is zo weinig vertrouwen in het zijn vanuit en in de mens zelf.


Ik neem er nog maar eens Karel Jonckheere bij:

- … ge denkt dat ik gek ben. Ik heb alleen afstand gedaan van sommige waarden zonder dewelke gij denkt niet verder te kunnen leven. Gij gelooft?
- Sedert lang niet meer.
- Dan zijt ge reeds mijn halve broer. Zoudt ge nog kunnen geloven?
- Geloven is een ziekte. Zelfs een besmettelijke. Wie zegt ons of we steeds immuun zullen zijn tegen dergelijke microben?
(Steekspel, 1947, p.101)

Boekenwijsheid

Wanneer ik deze soms moeilijke zinnen voor u en jij en jou schrijf, denk ik met diezelfde Jonckheere, dat u, jij en jullie me een beetje kunnen volgen. Bedenk de vraag van de lezer van een brief:
“Was ik immers in de verbeelding van den man, die hem geschreven had en die hem ondertekend had, niet iemand, die hem wel begreep? Anders zouden ze hem toch niet verzonden hebben?” (idem p.166)

André Baert

09.04.2007


INFO


Boekenwijsheid

- Karel Jonckheere, Steekspel met dubbelgangers, Caecilia Boekhandel Deinze, 1947 (2de druk)

- Publius Cornelius Tacitus, Annalen (uittreksels), Klassieke vertalingen, Vertaling C.Tuin en bewerking G.Timmermans, Standaard 1977

- Hermann Hesse, Siddhartha, L’Amitié par le livre, Liège 1947, ex. 2023