|
Brugge heeft een
pertinente dynamiek opgestart om bijvoorbeeld Oostende op cultureel
vlak voorbij te steken. Daarmee bedoel ik dat de cultuurhistorische
stad Brugge die eigenlijk een rijke Bokrijk is of een gefundeerd
sprookjespark, de vroegere être-garde van de vrijgevochten
zeestad achter zich aan het laten is. Het is zelfs al te laat.
Oostende heeft nog enkel een casino gebouw dat haar benen opendoet
voor de macabere doorsnee bezoeker die denkt dat theatraal
trommelgeklop dé link is naar het verleden van de muziek.
Telefoonorkesten, broodproducties, serievoorstellingen, alles is
welkom als het maar past in de grandeur van een te groot podium. Bart
de Bouwer weet dat. Niet alleen van mij, want ik denk niet meteen dat
hij de tijd heeft om deze en vorige teksten te lezen. Ik denk dat
beleidsmensen eerst een combinatie voelen van ambitie en geluk.
Geluk? Omdat ze ofwel zelf die politieke weg vinden, ofwel omdat ze
gevraagd worden. Nu zijn er téveel advocaten op het politieke
werkveld. De taal is geblokt, te uitgezuiverd. De logica is anders
dan die van een arbeider die met twee voeten tussen haksel en schaaf
staat. De logica klopt wel als het achteraf – altijd achteraf –
uitgelegd wordt, maar de subtiliteit is totaal zoek in de listing van
ja en neen, van kan en mag, van visie en verplichting.
Wanneer Bart Bronders zijn
‘Onze stad vernieuwt’ (niet ‘vernieuwd’, wat dus betekent dat
er nog véél moet vernieuwd worden en dat de stad als
vorm daar niets mee te maken heeft maar de stad als verkozen
mensenmassa des te meer) publiceert, valt hij over het ‘wauw’
gevoel. Niet van de altijd aanwezige bewoner, maar de wauw van de
passant, de bezoeker, noem het de toerist die uiteindelijk de bron
van inkomsten is voor deze (zijn en mijn) stad. Hij noteert dat ‘we
samen weer een stap vooruit zetten’ maar zegt niet waar dat ‘samen’
op slaat. Ik bedoel maar dat hij ‘samen’ een lege stad aan het
maken is, als je stad aanvaardt als een bundeling van alle denkwijzen
en leefstijlen, neringen en genoegens, rijke cultuur en vluchtig
genot. De stad wordt een vorm. Vertikaal maar niet echt monumentaal,
sierlijk gelijnd met veel glas en groen. Precies als die moderne
bovenkant (denk ik te herinneren) van Barcelona waar de ‘Banken’
zijn, de kantoren, nog heel even aan de rand het museum van Thyssen,
de moderne skyline waaronder – richting zee - de wriemel van
straatjes, rambla’s, pleintjes en authenticiteit die Oostende niet
meer heeft. En dan oostwaarts in die Middellandse golf de andere
moderniteit van Barcelona-Bad, achter de lege haven met de ‘bankjes’
die ook op de dijk – de nieuwe dijk – van Oostende staan. Een
subliem boekje van Bart. ‘k Zou het zelf zo geschreven hebben.
Maar. Ik sta als lezer aan de andere kant van de tekst. En wie mag
als bewijsmateriaal (let wel: advocatentaal) opdraven? 90%
kapitaalkrachtige vastgoedkopers en noest werkende middenstanders.
Daarnaast heb je de sociale sector die ooit bij het aantreden van
deze nieuwerwetse Rode Vloot de wereld seinde dat Oostende twee
soorten nieuwe inwoners had: oud maar rijk en jong maar verslaafd.
Oostende beweegt. Ik
bedoel: de totaliteit van de machten en de bewoners hebben een
culturele dynamiek vanuit de boezem van de CultuurDienst. Met zicht
op het beleidsplan 2008-2013 (ik pas daar nog net in) startte men een
enquête over de ‘noden en behoeften’ van de culturele
organisaties. Ik onthoud daar enkele markante punten uit:
II. dat de parochies nog
altijd eigendommen hebben die omwille van hun aard van de volledige
gemeenschap zijn en daarom door die gemeenschap mogen gebruikt
worden, met respect en met vrijheid van denken.
II.7 de bouw van een
cultureel centrum wordt nog meegedragen.
III. een strenge bevraging
naar aard en functie van de cultuurraad zoals die er nu bij staat of
ligt.
IV. een ruime
subsidiebevraging
V. 5 slagzinnen waar we zeker op terugkomen.
Brugge heeft een pertinente dynamiek opgestart om bijvoorbeeld
We komen in een ander
artikel terug op die volks-bevragingen en op Brugge.
André
Baert
01.04.2007
|