|
|
|
|
|
Oostende - Vergeef me de eerste paragraaf: schrap ze uit je eigen kopie. Voor mij is die wel belangrijk. Ik zoek, namelijk. Al een jaar zoek ik. “Altijd onderweg” lijkt de slagzin van 2007 geënt op de herinneringen van 2006. Wat is een jaar anders dan kerst in Parijs, kunst in Venetië en Kassel, misschien een eerste keer Berlijn nà het cabaret (18 maar 2007) zoals Bilbao voor Mundaka. (3 maart 2007). En de Provence met haar handgreep steden tussen dorpen, landschappen en bezeten fietsers. Onderweg, altijd onderweg. Onderweg verlies je veel. Verlies is niet per definitie slecht. Misschien heeft verlies te maken met afscheid. Bewust (in min of meerdere mate) iets of iemand doen vervagen tot een stip naast andere stippen. Alle stippen hebben de herinnering als inhoud. Hoe ver weg, ze blijven ergens hangen al vergeet je ze lang of altijd. En wat is altijd als alles tijdloos is? Donderdag Tijdloosheid staat tegenover de tijd die altijd maar terugkeert in de verhalen van Poe. De tijd van iets dat gebeurd is. De tijd van creatie en lezen of horen. Drie dagen is hij belust op wraak. Drie dagen laat hij zijn subtiele perversie slijmen over Oostende en van daar tegen de stroom in naar het hinterland dat de kust als toeristisch trekpleister ziet. Beaufort heeft al iets gedaan, Freestate was een jongere prik, de hernieuwde intrede (echt en in boek) van Jezus Ensor was een por in de ballen. Tot donderdag 25 januari 2007 was Oostende nog maar dat. En dan wandelde Edgard Allan Poe over de zeedijk ter hoogte van de drie gapers. Edgard Allan Poe. Ik heb één boek van hem. Een soort geïllustreerde keuze uit zijn werk. Ooit gekocht in de oude Raaklijn in Brugge. Ik heb dat nooit graag gelezen. Te oud, misschien. De inhoud, bedoel ik. Ik kan me ook niet herinneren ooit geboeid te zijn geweest door sprookjes of een prinses die op een erwt zat (of nog zit). En een kikker die in zijn onderbewuste een prins is lijkt me beter verteerbaar dan zo’n slijmerig groen ding dat eens gekust een stoere bink wil zijn. En ook zal zijn, want … ze leefden lang en gelukkig. Met de nodige nazaten. Dit is de tijd waar nooit gescheiden werd. Het zwaard en de toverstok kliefden of smeedden banden. Ik slaap in bij de fictie van Twin Towers, het brilletje van Potter is mij nauwelijks gekend en alle films van Disney heb ik 100 keer meegemaakt maar opgeteld slechts één keer gezien. Dat terwijl de televisiegezellen me regelmatig (te, zeggen ze nu nog) een snurk-stop-por moesten geven. Sindsdien staat bij mij geen televisie meer. Alleen boeken. Poe is nog niet uitgepakt. Die zit in een appeldoos op de overloop van verdieping 1 (tegenover de kinderkamers) waar Wicca en Annie M.G. Schmidt heersen. Dus moet ik me herpakken. Wie is Edgard? Ik kruip terug tussen mijn paar boekjes over Ensor. “Tout en lui reste facile. Il lira peau, très peu même,” schrijft Michel de Ghelderode. Deux auteurs l’ont marqué, Cervantès l’Espagnol, Edgar Poe l’Anglo-Saxo.” En dan komen we bij wat ons aanbelangt: “Ce dernier lui a fait graver et peindre Hop-Frog, le Roi Peste, et enseigné l’humour noir.” (Hommage a Ensor, 1959 – p.23). Leed, spotten, amuseren. Drie begrippen die naast elkaar geen wijs mens maken. Van de pijn die randen, die accenten onthouden waarmee gemakkelijk en begrijpelijk gespot wordt. Begrijpelijk, omdat spotten een zeer communicatieve bezigheid is. Wanneer je spot, wil je gehoor hebben. Van zodra je die spot in een ruimere context zet, zeg en lees een engagement loslaten, dan kom je dicht bij een nieuwe pijn. Wanneer die pijn gericht is naar een officiële instantie of naar een instituut – materieel of geestelijk – dan doe je aan opvoeding. Als dat geen humor is. Maar je moet los uit die knellende realiteit. Ensor zegt het zelf: “…les artistes dominés par la raison perdent tout sentiment; l’instinct puissant faiblit, l’inspiration s’affaiblit, le coeur manque d’élan, et au bout du fil de la raison pend l’énorme sottise ou le nez d’un pion…” (id. – p.23) Ensor die volgens De Ghelderode “méprisant les hommes une fois pour toutes et subsistant dans l’horreur de la face humaine, ne trouva plus à aimer que les bêtes…” (id. – p.24) Het dier als metafoor van iedere menselijke marge. Een mens dat leeft in een stad. Ik neem dan de woorden van Hendrik Tratsaert over Oostende als plaats waar de geschilderde en de geschreven Hop Frog elkaar ontmoeten: “De gotische mistige sfeer van zijn verhalen leek mij te rijmen met Oostende in de winter.” (brochure) Een ander Oostende, want 10 jaar nà de dood van Ensor schreef Frans Hellens:“Ostende a perdu son ancien prestige.” (id. – p.28) Vrijdag tot zondag 1. 2. 3. 4. 5. Het lichaam is niet altijd de eerste partner. Het lichaam is ook niet meteen de drager van een verpakking. Een snelle referentie naar houding en vorm is vaak genoeg. Zwart, fel, accent, boek, een licht. Het lichaam is het andere decor dat staat of zit. Eigenlijk is het ‘zijn’ (de présence) maar dan mooier dan dat woord. Zijn en toch bijna totaal los van dat lichaam dat daar IS als een klankkast. De luchtpomp die wanneer het rumoer van wachten eindelijk mag stoppen, aangezwengeld start om een half uur later in een buiging opnieuw uitgeperst te worden. Daartussen open en dicht, open en dicht. Dat lichaam kan als vorm domineren. Broos zowel oud als jong zijn. Bewegen als een partituur van gevoelens. 6. 7. Slot. Maandag, Beste Hendrik, Ines,
Delphine en
Carine. Ik heb wel geen zin om mijn oor te snijden – ik
scheer me
ten andere niet – maar de Absinth is de avond mee ingeduikeld
tot
die ochtend en de les geschiedenis die ik (methodisch) moet geven.
Freinet en co zullen het me vergeven: ik heb niet gefilosofeerd maar
stil getypt aan werkverslagen van de ‘kinderen’ die
niet eens
weten dat ik zo dicht bij Engels en Frans ben geweest.
André Baert 29.01.2007
|
|
|
http://www.free-state.be/poe/poe.htm |