N.O.T.
29.01.2007

 

DE (zoete) WRAAK VAN HOPFROG

 


Oostende -

Vergeef me de eerste paragraaf: schrap ze uit je eigen kopie. Voor mij is die wel belangrijk. Ik zoek, namelijk. Al een jaar zoek ik. “Altijd onderweg” lijkt de slagzin van 2007 geënt op de herinneringen van 2006. Wat is een jaar anders dan kerst in Parijs, kunst in Venetië en Kassel, misschien een eerste keer Berlijn nà het cabaret (18 maar 2007) zoals Bilbao voor Mundaka. (3 maart 2007). En de Provence met haar handgreep steden tussen dorpen, landschappen en bezeten fietsers. Onderweg, altijd onderweg. Onderweg verlies je veel. Verlies is niet per definitie slecht. Misschien heeft verlies te maken met afscheid. Bewust (in min of meerdere mate) iets of iemand doen vervagen tot een stip naast andere stippen. Alle stippen hebben de herinnering als inhoud. Hoe ver weg, ze blijven ergens hangen al vergeet je ze lang of altijd. En wat is altijd als alles tijdloos is?

Donderdag

Tijdloosheid staat tegenover de tijd die altijd maar terugkeert in de verhalen van Poe. De tijd van iets dat gebeurd is. De tijd van creatie en lezen of horen. Drie dagen is hij belust op wraak. Drie dagen laat hij zijn subtiele perversie slijmen over Oostende en van daar tegen de stroom in naar het hinterland dat de kust als toeristisch trekpleister ziet. Beaufort heeft al iets gedaan, Freestate was een jongere prik, de hernieuwde intrede (echt en in boek) van Jezus Ensor was een por in de ballen. Tot donderdag 25 januari 2007 was Oostende nog maar dat. En dan wandelde Edgard Allan Poe over de zeedijk ter hoogte van de drie gapers.

Edgard Allan Poe. Ik heb één boek van hem. Een soort geïllustreerde keuze uit zijn werk. Ooit gekocht in de oude Raaklijn in Brugge. Ik heb dat nooit graag gelezen. Te oud, misschien. De inhoud, bedoel ik. Ik kan me ook niet herinneren ooit geboeid te zijn geweest door sprookjes of een prinses die op een erwt zat (of nog zit). En een kikker die in zijn onderbewuste een prins is lijkt me beter verteerbaar dan zo’n slijmerig groen ding dat eens gekust een stoere bink wil zijn. En ook zal zijn, want … ze leefden lang en gelukkig. Met de nodige nazaten. Dit is de tijd waar nooit gescheiden werd. Het zwaard en de toverstok kliefden of smeedden banden.

Ik slaap in bij de fictie van Twin Towers, het brilletje van Potter is mij nauwelijks gekend en alle films van Disney heb ik 100 keer meegemaakt maar opgeteld slechts één keer gezien. Dat terwijl de televisiegezellen me regelmatig (te, zeggen ze nu nog) een snurk-stop-por moesten geven. Sindsdien staat bij mij geen televisie meer. Alleen boeken. Poe is nog niet uitgepakt. Die zit in een appeldoos op de overloop van verdieping 1 (tegenover de kinderkamers) waar Wicca en Annie M.G. Schmidt heersen.

Dus moet ik me herpakken.

Wie is Edgard? Ik kruip terug tussen mijn paar boekjes over Ensor. “Tout en lui reste facile. Il lira peau, très peu même,” schrijft Michel de Ghelderode. Deux auteurs l’ont marqué, Cervantès l’Espagnol, Edgar Poe l’Anglo-Saxo.” En dan komen we bij wat ons aanbelangt: “Ce dernier lui a fait graver et peindre Hop-Frog, le Roi Peste, et enseigné l’humour noir.” (Hommage a Ensor, 1959 – p.23). Leed, spotten, amuseren. Drie begrippen die naast elkaar geen wijs mens maken. Van de pijn die randen, die accenten onthouden waarmee gemakkelijk en begrijpelijk gespot wordt. Begrijpelijk, omdat spotten een zeer communicatieve bezigheid is. Wanneer je spot, wil je gehoor hebben. Van zodra je die spot in een ruimere context zet, zeg en lees een engagement loslaten, dan kom je dicht bij een nieuwe pijn. Wanneer die pijn gericht is naar een officiële instantie of naar een instituut – materieel of geestelijk – dan doe je aan opvoeding. Als dat geen humor is. Maar je moet los uit die knellende realiteit. Ensor zegt het zelf: “…les artistes dominés par la raison perdent tout sentiment; l’instinct puissant faiblit, l’inspiration s’affaiblit, le coeur manque d’élan, et au bout du fil de la raison pend l’énorme sottise ou le nez d’un pion…” (id. – p.23) Ensor die volgens De Ghelderode “méprisant les hommes une fois pour toutes et subsistant dans l’horreur de la face humaine, ne trouva plus à aimer que les bêtes…” (id. – p.24)

Het dier als metafoor van iedere menselijke marge. Een mens dat leeft in een stad. Ik neem dan de woorden van Hendrik Tratsaert over Oostende als plaats waar de geschilderde en de geschreven Hop Frog elkaar ontmoeten: “De gotische mistige sfeer van zijn verhalen leek mij te rijmen met Oostende in de winter.” (brochure) Een ander Oostende, want 10 jaar nà de dood van Ensor schreef Frans Hellens:“Ostende a perdu son ancien prestige.” (id. – p.28)

Vrijdag tot zondag

1.
Dit lijk me het ei van Columbus. Misschien wel het tweede ei. De locatie van het Poe-trefpunt aan de drie Gapers. Ooit wou Eric de Kuyper in het andere halfrond van de Venetiaanse galerijen kant Thermae Palace een soort filmsalon inrichten en er frequent filmklassiekers vertonen met dank aan het Filmarchief. Denk ook maar aan het cinéfiele verleden van Oostende. Maar toen was het neen daarvoor en ja voor achtereenvolgens opslag van surfmateriaal, een ZotteKot, een private galerij en de provisoire VRT-studio. En nu, in dit “Lokaal 3+” trippelen mooie zwarte madams op oude tegels en tussen oud cafémeubilair. Het interbellum, met stoeltjes die meer kunnen vertellen over het gat van Oostende dan de boeken van Desnerck over de mond van het viswijf. En Absinth die maakt dat wachten fijn wordt. Zie ik Ensor of Declerck pronken? Waar verbergt Spilliaert zich?

2.
Ik versta het niet: normaal ben je bedrogen over groot en klein wanneer een televisiefiguur voor je komt te staan. Maar ‘Zij’ is kleiner in het echt dan op het toneel. Kan dat? Ik heb haar nog maar net gezien (gehoord) in La Poursuit du Vent. Maar ze “IS”. Ze toont vanop haar stoel pertinent waar de raaf zit: “Perched above my chamber door - Perched upon a bust of Pallas just above my chamber door - Perched, and sat, and nothing more.” Het ritme tussen de raaf en de schrijver, de IK die in alle verhalen weerkeert, tussen bed en deur, tussen nu en verleden. En Annabelle Lee, die “loved with a love that was more than love”. Ze leert de zee pas kennen wanneer de wind haar een graf bij de water opdringt. Viviane De Muynck is grandioos in haar klankwarmte. Ik bedoel: hoe herhaalt het ritme van het gedicht ook is, in die vage vlakte van woorden die met elkaar gekoppeld zijn, kiest ze die klankbruggen tussen zinnen die meteen klankblokken doen ontstaan als trappen, egale trappen, op weg naar een of andere climax. De stem wordt dus een instrument die door jou wordt herkend. Die stem wordt een naam en met die naam, de vrouw, de dame die beslist de nasalen en het sappige van het Engels in zich heeft. En als je dan al iets niet verstaat (zegt ze zelf): de klank van haar stem is er met de dreun van het verhaal.

3.
Dat toneel- of taalvolkje is zo mooi als het volkje dat Viviane De Munck uit haar presentatie van Claire Goll (Stadsschouwburg Brugge) deed blijken. Mooi maar met tekens van tijd en leven. Poe is overal als je het wilt. Ook in dat lichaam dat slechts een kadertje is waarin dingen ontstaan en waarnaar anderen – doorheen hun kadertjes – luisteren. Vreemd haar stem in een andere taal en over een andere tijd te horen resoneren. Dit is een omgeving vol ambitie en aanhang met daartussen de mede van zoete stemmen. Wat blijft over nà dit weekend, vraag ik me nu al af. Wat zal tussen die muren blijven nazinderen? Het kabbelen van Absinth over woorden? Een accordeongeruis? Het metalig schuiven van oude opnames? Het lichaam is niet wat het zegt. De flits bewaart alleen maar een buitenkant.

4.
De Mond bijvoorbeeld. Daar gaat het om. De mond vertelt wat het hoofd onthoudt. Het hoofd genereert die woorden en zinnen, gelezen en onthouden, die golven willen zijn tussen fijne lippen naar mijn – en al die anderen – plots, zo plots als de mond kundig is – naar mijn oog en oor. Wat primeert: de klank of de fijne lippen? De mond maakt een andere wereld van wezens die IK kunnen zijn en een verhaal dat op een droom lijkt, al komt het eerst uit een hart en dan uit dat boek.

5.

Het lichaam is niet altijd de eerste partner. Het lichaam is ook niet meteen de drager van een verpakking. Een snelle referentie naar houding en vorm is vaak genoeg. Zwart, fel, accent, boek, een licht. Het lichaam is het andere decor dat staat of zit. Eigenlijk is het ‘zijn’ (de présence) maar dan mooier dan dat woord. Zijn en toch bijna totaal los van dat lichaam dat daar IS als een klankkast. De luchtpomp die wanneer het rumoer van wachten eindelijk mag stoppen, aangezwengeld start om een half uur later in een buiging opnieuw uitgeperst te worden. Daartussen open en dicht, open en dicht. Dat lichaam kan als vorm domineren. Broos zowel oud als jong zijn. Bewegen als een partituur van gevoelens.

6.
Het oog? Ziet het oog meer dan de woorden die gelezen werden, daarna onthouden als zinnen tussen zinnen of als verbeelding. Als de spreker naar mij kijkt, hoelang ziet hij mij en hoe kan hij niet denken aan wie ik ben? Het oog is een vlies waarop of waarachter het verhaal simultaan gespeeld wordt. De acteur of actrice buigt voldaan en moe. De metafoor blijft hangen. De woordkunstenaar zet zich in de zaal, eet, drinkt en lacht (te luid). En zenuwachtig of actief blijft die blik iets langer bij de blik die hij uit de voorstelling onthouden heeft maar niet kent (of herkent).

7.
Wat heb ik nu opgesomd: mond, oog, lichaam. Eén dag later denk ik plots dat ik een soort machine aan het maken ben. Waar plaats ik de emotie? Wanneer een woordkunstenaar of acteur een werkstuk heeft, die hij niet zelf kiest, wanneer zet hij dan de emotie? Ik denk dat de omgeving van een tekst heel belangrijk is. Ligt de zin goed? Heeft die zin als klank een blijvende waarde? Waar ligt de grens van willen en kunnen? Kunnen in de zin van engagement nemen. Hoe kan je … wanneer weet je … Ik denk dat de resonantie een beter woord is. De klank en weerklank. Ik denk dat dit de sterkte is van monologen. De stem die een eigen leven gaat leiden op de adem van een tekst.

Slot.

Maandag,

Beste Hendrik, Ines, Delphine en Carine. Ik heb wel geen zin om mijn oor te snijden – ik scheer me ten andere niet – maar de Absinth is de avond mee ingeduikeld tot die ochtend en de les geschiedenis die ik (methodisch) moet geven. Freinet en co zullen het me vergeven: ik heb niet gefilosofeerd maar stil getypt aan werkverslagen van de ‘kinderen’ die niet eens weten dat ik zo dicht bij Engels en Frans ben geweest.
Het was een verbijsterend mooi weekend. Een onderdompeling in een cultureel bad (zoals Maurice het zo droogweg boven zijn biertje zei). Ik heb 5 op 7 kunnen meemaken, en ééntje een stukje kunnen meeluisteren. Roofthooft heb ik gemist. (Nonde…). Ik heb gedroomd bij de uiterlijke eenvoud van de organisatie die bijzonder soepel uitgebouwd was. Ik heb genoten van de drukte van caféstoelen en de rust van konttronen die je laten zitten. Ik bedoel echt: zitten.
De wereld die jullie voor HopFrog hebben gemaakt was een vloeiende wereld. Strikt en toch jong (en waarom niet). Gedocumenteerd georganiseerd. De genieter wordt vrijelijk begeleid met kaartjes, logo’s, herkenningspunten, zekerheden van onthaal, en een trefpunt dat heel frequent gefrequenteerd werd en van vrijdag 20 uur tot maandagochtend … het gelukkige geroezemoes van cultureel Oostende (en van verder, soms veel verder) onthouden heeft.
De eerste 3+ ers hebben even plaats geruimd voor wat zijn misschien geweest zijn toen de grand cafés iets meer te bieden hadden dan drank en tabak.
Ik weet niet wat jullie bedoeling is. Vrouwen doen het goed. Houd ze. En straks Michel De Ghelderode? En Flamand en in het Frans? Kleinschalig! Nog even!?

André Baert

29.01.2007


INFO


 http://www.free-state.be/poe/poe.htm