|
Oostende - De Mens en de Techniek van
Fernand Vanderplancke verdient het eigenlijk niet om in opspraak te komen.
Helaas. De plaatsing gebeurde onaangekondigd en zonder ook maar enkele dagen te
wachten op advies van de Cultuurraad. Dat is vervelend, omdat nooit echt
uitgekeken wordt naar de meest efficiënte plaats voor een kunstwerk.
Ik zie dat zo: de Stad (wij dus) laten ons
vertegenwoordigen in voor- en tegenspraak door een groep verkozenen die elk een
bepaald fundamenteel principe voorstaan. Er zijn raakpunten en verschillen.
Deze dialoog maakt een boeiende regering mogelijk. Maar steeds ten dienste van
diezelfde Stad, dus wij. We komen overeen dat uit die gemeenteraad (gemeente
alweer in de betekenis van samenhorigheid met minstens één binding) een keuze
wordt gemaakt van door de kiezer meer geprefereerde leden die samen een college
of dagelijks bestuur uitmaken. En zij kiezen dan een hoofdman of burgermeester.
Dat burgermeesterschap kreeg in de rijpdemocratische jaren na 1968 de subtiele
bijnaam ‘burgervader’. Er is alleen al door het kaderen in de tijd van 68,
daarvoor en daarna een humoristische klank, want is een vader nog een meester
en kan een ‘meester’ zijn aanhoorders nog de baas? Bestaat er dus zoiets als
een generatiekloof tussen gemeenteraad en bevolking? ’t Zal wel zijn, zegt mijn
Gentse. Wanneer oma me haar groep ‘vrouwen op leeftijd’ aan haar verkozen
schepen Bart Bronders vraagt waarom het Casino Kursaal niet meer is wat het
was, dan verwacht ze een ander antwoord dan :”Wat wil je, mevrouw. Een prachtig
concert voor een half lege zaal of een volle zaal voor een populaire show?”
Deze opmerking doet vermoeden dat daarmee alles gezegd is. Niet waar: de volle
zaal was triest en vertrekt nu nog meer dan toen naar het Concertgebouw Brugge.
Betekent dit dat die half lege zaal dan ergens anders is? Schepen Verstreken
had het bij het begin van de instandhouding- en renovatiewerken aan het CKO al
over de mogelijke vlucht naar Brugge. Ondertussen ken ik een handgreep
cultuurbeesten in Brugge en die zijn zéér ambitieus. Het Concertgebouw bloeit
en creëert. Het Cultuurcentrum plant. En Toerisme coördineert de toerist (niet
de bevolking) langs monument en entertainment. Dat vertelt men mij toch.
Oostende staat op een andere plaats. Daar verdwijnen de monumenten en heeft men
genoeg aan bijvoorbeeld Lange Nelle om de geïnteresseerde toerist te leiden
langs sites van verdwenen glorie. Dat heet evolutie, moet er zijn om iedere dag
opnieuw iets nieuws te kunnen brouwen, maar zit aan het strand heel dik in
handen van wat de kiezers de Betonboeren zijn gaan noemen. Ik herinner me zo’n
betonneur die klamweg het nieuwe steentijdperk zo omschreef: er is geen plaats
meer, de kust is te kort voor alle ambities. Dus leggen we de oude gebouwen
plat, zetten er wooncomplexen op en wijken daarna uit naar de lappen grond die
we nu al aangekocht hebben aan de Franse kust net over de grens.
Zoveel suiker in mijn soep.
En alleen al door dat éne beeld
van Fernand Vanderplancke.
Het beeld is dus een gift van de
kunstenaar. En dat is heel vrijgevig. Ik herinner me zware onderhandelingen
voor een expositie van zichzelf en mevrouw Boël in zijn Koksijde waar de
gemeente een ruim beeld moest aankopen om beiden te mogen showen. Hetzelfde
procédé werd in een andere badstad geprobeerd, gelukkig zonder resultaat. Ik
bedoel: een gratis expo is niet gratis als je een bunker van een werk moet
aankopen. Ondertussen wordt het steeds stiller rond de dochter van Albert II.
’t Kind zal het graag hebben. Ik zie haar nog dik zwanger in de wandelgangen
van Venetië Engels praten tegen haar partner, terwijl kunstenaar Wim Delvoye de
marchand artistique is: creëren in het hoofd, die uitgetekende intenties laten
uitvoeren en het resultaat ervan verkopen via een mediatiek vuurwerk. Een
performance die zweeft tussen kunst en Economie. Vandaar de beursgang van zijn
stoelgang. Boël laat Albert bier pissen terwijl Delvoye links zijn
beurscertificaat plaatst. Toen een badstad een gotische grijpkraan cadeau kreeg
was een aanpalende expositie wel te duur. Waar ligt de grens tussen krijgen en
kopen? Koop je jezelf in een project als je een geschenk aanvaardt? Is de
theoretische aankoop van een Cultuurraad in het beleid van een stad een
geschenk van de goden of een gekregen paard dat je best niet in de muil kijkt?
Wie stinkt uit de bek als zelfs de 14de eeuwse ridder een perkament
moest ondertekenen dat hij (o.a.) zijn nagels en tanden moet onderhouden
wanneer hij een vrouw beheert?
Staat u mij dan toch toe het geschenk van
Vanderplancke nader te bekijken. Het werk werd voor het eerst geplaatst in 1999
voor de poorten van de hoofdzetel in België van BASF. Het werd gemaakt ‘à la
demande de BASF Belgium’ en ‘évoque comment BASF Belgium s’engage dans le 21ème
siècle.’ In een mixed van stijlen wordt de mens van alle tijden getoond.
Gecontoureerde torso à la Gargallo ( bv de profeet – Middelheim) en uiteraard
de geconcentreerde kracht van de lichaamstaal van Ossip Zadkin (Orpheus –
Middelheim).
Tussen haakse: in datzelfde Middelheim
staat een Zittende Vrouw (1955) van Willy Kreitz zusterlijk naast de Niobe
(1947) van Georges Grard. Misschien een verduidelijking het standpunt van
Monumenten en Landschappen om het sinds dit jaar vrijgekomen (!)
zeemeerminnetje van Kreitz op de sokkel te zetten. Ik meen me te herinneren dat
er een niet-professionele restauratie uitgevoerd werd. Misschien moet daar iets
aan gedaan worden.
Beste Bart
Weet dat je leest wat ik
schreef met zicht op mijn herinneringen aan jou. Ze hebben je woorden doen
zeggen die je niet meent. Je hebt ze misschien wel gezegd, maar als beleidsman
moet je vaak dingen zeggen die passen in een visie waaruit plots een nutteloze
wortel schiet. Ik vond je uitspraak over de muil van dat paard zeer duidelijk.
Je krijgt inderdaad iets, maar je moet al de rest er bij nemen. Dat is het
drama van alle giften. Conservator Norbert Hostyn had het een tiental jaar
terug al over een niet te stuiten instroom van giften, omdat op die manier de
vrijgevige kunstenaar zijn naam gratis en zonder enige fundering – anders dan
een gift – in de eeuwigdurende annalen van het artistieke leven duwt. “Ik ben
zoveel waard, want er is werk van mijn in de collectie van deze of gene musea!”
Ik wil niet stout zijn, maar ik vermoed dat hetzelfde geldt voor de gift van
Fernand Vanderplancke. En mag ik ondertussen vragen om toch eens na te gaan
welke persoon of personen aan de basis liggen van die min of meer giftige
geschenken. Met ‘giftig’ bedoel ik dus dingen die wel mooi zijn maar naar
authenticiteit en binding met de locaties mossel nog vis zijn. Zoals die
Dansende Golven, het werk van Herlinde Seynhaeve aan de Rotonde, die zeilen op
het Vuurkruisersplein, … Over Herlinde mochten we twee artikels publiceren die
de volledige steun kregen van Cultureel Oostende en zelfs van de kunstenares in
kwestie. Wat die zeilen betreft kreeg ik indertijd de figuurlijke wind
vanachter van het architectenbureau uit Gent die ik ten andere met de groeten
van de desbetreffende stadsdienst mocht contacteren.
Wil je die grote culturele
gemeenschap in je gedachten binnenlaten? Ik lees nu wat de Zeewacht pruilde. Ik
schrijf je dus nog. Maar let op: ik vermoed dat je niet zo goed tegen je
verlies kan. En dat kan een mens zwak maken.
André Baert
24.07.2006 |