N.O.T.
19.07.2006


Meditation Mer du Nord


Oostende- “Na zovele veldslagen waren die (Atheners) uitgestorven” lees ik in de Analen van Tacitus. Daarom dat het niet zo erg is de zomer op eigen strand door te brengen. Ik leg mijn hand op haar borst en voel dat ik dit nog moet schrijven. “Ik leg mijn hand op jouw borst.” En vanaf daar hoor ik een subtiel gejubel want de kans dat het beeld op de Kursaal komt wordt kleiner. Monumenten en Landschappen geven geen toestemming omdat het werkstuk van Patrick Steen geen binding heeft met de geschiedenis van het gebouw. Dat is één zaak. Men mag nooit van een overwinning spreken wanneer één component eigenlijk een kans op een proper bestaan mag hebben. Wanneer ik die avond nà het bericht op Focus over de dijk lik, hoor ik twee geluiden. Eén is overduidelijk een gevoel van opluchting want het precieus Casino Kursaal krijgt de volledige appreciatie waar ze recht op heeft. Een tweede geluid is er een met een snik en af en toe een vloek over de polders. Ik maak er een briefje van: “Mijnheer de Burgemeester. (Hoogdringend) Ik heb via WTV-Focus vernomen dat de dienst Monumenten en Landschappen niet kan instemmen met de plaatsing van het beeld. Dat is een overwinning voor het gebouw en een pluim voor uw houding. Het grote slachtoffer is dus Patrick Steen. Cultureel Oostende zal het met me eens zijn dat het beeld dat bijna af is, een plaats moet krijgen. Mag ik voorstellen dat een deskundige groep zich buigt over het beeld van Steen. Ik hoop daarin te kunnen redeneren met o.a. kunstjournalisten, de Denktank Monument(inde)Stad van de Cultuurraad, de werkgroep Monumenten en Landschappen van diezelfde Cultuurraad, de vereniging Woeste of Freestate O plus mevr. Meire of Mevr. Maes die bij de gesprekken een realistische toonaard kunnen bewaken. Vriendschappelijke en kameraadschappelijk, etc…”

Concreet houdt dat dus in dat Cultureel Oostende de Stad Oostende positieve impulsen kan geven en – heel belangrijk – opbouwende adviezen formuleren. Zo democratisch opgebouwd, en binnen een haalbare termijn, dat het beleid bijna blindelings het advies apprecieert. Zij brengt dan ook de tastbare tegenkantingen naar voor in een bijeenkomst. Dat is open bestuur. En als dat niet lukt, zegt de naakte borst naast mij in het grote bed, probeer eens wat meditatie. (en ik krijg als opdracht te zoeken naar iets dat ‘Chinese Boxing Ostende” heet bij ene Geert.)

Ondertussen wordt mediawerk gemaakt van het drama. Baert heeft het gedaan en Van den Bussche is de grote motor. Zo ontstaan soaps over mensen die zelf niet eens weten waar het in combinatie over gaat. Het feit is, maar de link tussen beiden is minimaal: één telefoontje met een paar concrete vragen. Dat daaruit een ruime inspiratie mogelijk werd, is des te creatiever. Maar het gaat over een feit. Het feit van ‘beschermd monument’ en het feit van een ‘kunstwerk dat daar niet past.’ Als je persé wil praten over schuld? Raf Seys ligt aan de basis van mijn gedocumenteerde interesse voor de openbare kunstwerken. Vandaar…

Alles heeft een goede kant. Ik stuur heel regelmatig mailtjes met: “Niet zagen: reflecteer!” Zelfs de ouden wisten dat. Ik snuffel in Tacitus tussen golfbreker en kelletje. En wat onthoud ik. “De soldaten verheugden zich in het doden, als zuiverden zij zichzelf daardoor van schuld. Caesar van zijn kant verhinderde het niet, daar hij zelf niet hoefde op te treden en de hardheid en het ongenoegen over het gebeuren op de soldaten zelf terugviel.” Wanneer op die manier muitende legioensoldaten het kwaad zelf uitroeien, dan kan je zeggen dat schrijvers hun gebrek aan inzicht en engagement zuiveren door de oorsprong van het verhaal woordelijk aan te wijzen als een soort drager van schuld. Je kunt de aanstoker zelfs in de grond prijzen, zegt diezelfde oude Romein: “… hij sprak veel over Germanicus’ verdienste, maar alles in te fraaie bewoordingen, dan dat men in zijn oprechtheid kon geloven. Korter was zijn lof over Drusus en het eind van de opstand in Illurië, maar nadrukkelijker en gemeend.”

André Baert
19.07.2006


INFO