|
|
|
|
|
Oostende- De Gentse Feesten maakt dingen los. Dat er gelukkige mensen zijn, dat alcohol de krassen uit je hoofd verdrijft, dat de straatgek de grootste feestjan is, dat de tijd veel te snel gaat maar de dag daarop weeral traag vraagt naar aandacht. Tergend traag vraagt om woorden en ideeën. Wat zou de man op de motorfiets meer zien van de omgeving dan ik die hem aankijkt en denkt dat voor hem alles mooier is. Wat drijft een burgemeester tot de uitspraak: “Misschien is het tijd voor een andere schepen van cultuur.” (LN juni 2006.) Waarom is die uitspraak zo belangrijk om eerst in die krant (en misschien andere) en dan ook hier nog eens aangehaald te worden? Weinig. De functie van Schepen van en voor Cultuur is de laatste in de beleidslijn. Meestal werk voor de jongste of de zwakste schakel in de gemeentelijke politiek. Vergissing op twee fronten. Jong zijn betekent niet zwak zijn, maar houdt vaak wel in dat er minder ervaring is. Welke ervaring? Cultureel? Hier wordt politieke ervaring bedoeld met armslag en ellebogengevoel in die wijde wereld van geven en nemen zonder spuwen in de hand. Anderzijds is een ervaren culturele rot wel heel handig in een culturele speeltuin. Maar hoeveel keer zet men de juiste mens op de juiste plaats? Hoeveel keer heb ik gehoord dat deze of gene schepen van en voor cultuur eigenlijk niets afweet van cultuur. Ze praten over zichzelf! “Met respect,” wordt er bij gezegd. Er is weinig politieke eer te halen uit kunst. Het kost en het heeft geen zichtbare blijvende waarde. En toch vind ik dat cultuur mooi maakt. Op culturele manifestaties komt schoon volk. Ook op de Gentse Feesten. Mooi, veel bruingetint of exotisch origineel, slank of met woeste borsten. Maar van die laatste ben ik geen fan. Nooit geweest. Nu, de burgemeester heeft visie gehad. Bij het opstarten van het PMMK was er al vrees voor het opslorpen van het Stedelijk Museum in die groeiende provinciale mastodont die dag nà dag uit haar voegen breekt. Wanneer hij nu in diezelfde krant (laat zeggen) zegt dat de stad “ons eigen museum voor Schone Kunsten en het Provinciaal Museum voor Moderne Kunsten (wilt) onderbrengen in één museum”, dan is het tweede luik van de subtiele overname ingeluid. Eerst vertrokken de moderne werken die wijlen conservator Frank Edebau kocht voor het nieuw museum nà de brand van mei 1940. Huidig conservator Norbert Hostyn bouwde de bestaande collectie verder op Ensor, Spilliaert, Declerck en alle andere kunstenaars met een Oostendse band. Uit die collectie kan een perfecte tweeluik ontstaan. De Grote O’s en de kleinere O’s. De grote kleppers trekken hoe dan ook volk. Het is met het lokaal talent, de collectie Europaprijs dat een rijke catalogus kan verdwijnen. Is het nu zo dat een andere schepen van en voor cultuur zelf had kunnen zorgen voor een doorbraak in dat dossier? Voelt de burgemeester zich teveel vader voor een trage zoon? En waarom is het altijd zo stil rond de immer studerende conservator van de Stedelijke Musea? Wat zal zijn functie zijn ten opzichte van de collectie die hij uitgebouwd heeft? Is een kijk in eigen hart nog mogelijk wanneer grandioze uitzetsels als Beaufort, Van Ensor tot Delvaux en Europalia één nà één zullen aantreden? En wie volgt Conservator Vandenbussche op, wanneer hij straks zijn windkracht aan de wilgen hangt. Boze tongen hebben het meer en meer over een curatorschap op internationaal vlak en daarna een verdiende rust in de bossen van Brugge. Brugge, waar cultuur nu uitgevochten wordt over de dampen van teveel paardenmest op de markt (Standaard 15/07/2006) André Baert |
|
|