|
|
|
|
|
Watou - Aan de rand van de zee maak ik me op om naar Watou te rijden. De klank van zeewater wordt straks het geruis van koren en de stem door een kleine klankbox. Midden in een veld, op een boerderij, in een schuur, tegen een bruin geworden muur. Bijvoorbeeld. Vertrek 17 uur, rondwandelen tot 21 uur en gaandeweg vaststellen dat ik terechtgekomen ben in een constant herkenbaar fenomeen: een expositie. Een expositie in een landelijke omgeving maar zonder enige link met die omgeving. De poëzie is er. Heel clean. De kunstwerken zijn er: zeer voorspelbaar en super tastbaar. Ik voel me voor een stuk in de wandelgangen van Knokke, Lineart en de reserves van de goede resten van West-Vlaamse kunstmanifestaties met internationale uitstraling. Ik bedoel: alles is er. Ook Fabre. Maar waar is Watou? Waar is de ziel van poëtische verbeelding? Waar is de hand van de kunstenaar in het landschap of aan de muur? Waar is Watou? Op zoek dus: Wat is de poëziezomer van Watou?De reine benadering van het project staat in de inleiding van Gwy Mandelinck: “Je ziet geen kunstenaars knarsetandend naar Watou komen. Ze zijn evenmin uit op de beuzelarij of geprononceerde ontsporing. Ze interpreteren genuanceerd het ‘extieme’ binnen de grenzen van hun mogelijkheden.” Medecurator Joost Declercq blijft op de vlakte: een verstandshuwelijk tussen poëzie en beeldende kunst. ”Toch hebben we ervoor gekozen onszelf enkele beperkingen op te leggen. De tentoonstellingsplaatsen worden beperkt tot de traditionele hoofdlocaties. De architectuur van deze plaatsen wordt resoluut genegeerd om de klemtoon te kunnen leggen op de beleving van de kunst en de poëzie als dusdanig en niet op het plattelandsgebeuren. Ook de openbare ruimte wordt om deze reden niet benut.” Dat betekent dus dat de koepels waaronder je poëzie beluistert diezelfde beperking invoeren en het geheel van de manifestatie concentreert op herkenbare eikpunten. Wat je moet zien en horen is zo geïnstalleerd dat je optimaal kan zien en horen. Geert van der Speeten in De Standaard 01.07.2006: “Het is de soort associaties dat je vanzelf gaat verzinnen in Watou.” Hij blijft het dorp herkennen en verwoordt de intimiteit van het feest als volgt: “Al deze elementen geven de poëzie in deze halfdonkere stallen en onder de met stof bedekte hanenbalken een magische kracht. Woorden ademen er anders dan op papier. Ze worden driedimensionaal, groeien uit een beeld dat je niet kan vasthouden en dat je thuis vruchteloos probeert te reconstrueren. Ook al houd je daarbij de catalogus in de hand.” Een mooier compliment is niet denkbaar. Wat kleeft?Het is heel erg belangrijk dat ik goed nadenk over dat gevoel van onbehagen bij Watou. Wat is de oorsprong? De strikte rechtlijnigheid, de cleanness van de opstelling, ik zeg bijna dat ‘Hollandse’ gevoel. Kijk: mijn ervaring met kunst heeft me geleerd dat er een duidelijk inhoudelijk verschil is tussen Noord en Zuid. Zuid draagt tradities mee die beladen alsof de druk van een bloedende grote oorlog en het asiel in den vreemde van de Vlaamse kunstenaars, de morele plicht van pijn en vooral ‘denk na want jijzelf zit in het web gevangen’ nagespoord heeft. Dat is geen depressieve boodschap. Geen doem die op ons artistieke beleven en op de plastische uitvoering is blijven drukken. Neen: het is een meer beladen inhoud, een ruimer signatuur, een multi-inhoudelijke aansporing. Daarnaast voel ik me altijd gelukkig bij een kunstwerk uit Nederland. Er zit een opportuniteit van één dag in. Daarmee bedoel ik dat de bedoeling ofwel heel erg duidelijk is, of dat het recept van het kunstwerk geen struikelsteentjes zet. Hooguit ééntje om de relativiteit duidelijk te maken. Nu zeg ik niet dat dit een Hollandse uitverkoop is. Helemaal niet: taal en afkomst hebben geen afbakenende functie in kunst. Maar dat opportune geluk zweeft over gans de tentoonstelling. Het geluk van mooie keuzes, het geluk van perfect uitgebalanceerde plaatsing, het geluk van eilandjes schoonheid die elkaar niet raken. Of precies juist wel in één locatie waar door verschillende kunstenaar gespeeld wordt met de feitelijkheid van het lichaam in genot, zoeken, vergelijken, … En daar zitten we eigenlijk vast in de nazindering van Corpus2004 Brugge. Hoor je me nu zeggen dat het niet goed is? Neen, helemaal niet. Maar ik kom of kwam die eerste keer toch terug met een gevoel van lege plekjes in mijn maag. Er was honger. Naar inpassing in wat Watou geworden is. En nu niet meer is. Nu staan kunst en poëzie totaal naast elkaar. Er zullen wel onderhuidse links zijn. Zoveel is te hopen. Maar ze zijn niet tastbaar in het genot van die tijdelijke schoonheid. Eddy van Vliet laat zich rustig nagenieten op verre afstand van afgemeten woorden in woordtempeltjes. Ik mis de wandeling langs sprekende bomen. Het is alsof een selectie galerijen hun beste stukken tonen om de waarde ervan te bevestigen met een rugetiketje ’Watou 2006.’ Ik stel me voor dat er slechts rekening gehouden werd met twee basiselementen: woord als klank en teken en de ruimte waar een kunstwerk gezet kan worden. Dus de 4 of 5 hokjes waarin video’s gepresenteerd worden kunnen zowel in een kunsthuis of op de zolder van een Normaalschool geprojecteerd worden. Het bevreemdende van de combinatie hightech projectie in een landelijke sfeer gaat verloren omdat het vide tussen de installatie en de stallingruimte zo miniem is dat het feit van de locatie verdwijnt. Het piepschuimen soldaten zitten inderdaad geprangd tussen vloer, muur en plafond en ik hoorde menig bezoeker de vraag stellen of het hier nu een buitenspektakel dan wel een intiem (maar dan wel gewelddadig) binnengebeuren was. Ook een paar aanwezige kunstenaars waren op zoek naar de oorsprong. Het witte werk in de kerk is subliem omdat het zo logisch is. Daarbij zijn de spontane sporen van uitgewreven witte verf op plaat zo rijk, dat je uit ieder hoek en uiteraard per lichtinval een ander verhaal of een ander gevoel opduikt. Maar hoe prachtig het ook is, het is al zo oud, zo voorspelbaar, zo duidelijk. Ik kan alleen maar gelukkig zijn omdat ik me hier kan herinneren hoe mooi het toen was. Fabre in de kelder van de brouwerij is daar logisch. Ruimte zat, akoestiek scherp genoeg, lichtinval zo muf als een kelder kan doen vermoeden. Je kijkt rechtuit naar Fabre als kletterende metalen scarabee terwijl links de Ikeatafeltjes staan waarop het allemaal gemaakt werd. « Het bewijs, ·» Mijnheer de Voorzitter. Kortenstaal met daarin een gedicht in kaartspeltekens. De code hangt aan de muur. Zeer mooi, maar zo slechts decoratief. Menselijke contouren in menselijke poses als in Bacon’s stijl verwrongen en op sokkel gezet. Mooi, zeer mooi. Maar de plastische tastbaarheid (niet aankomen aub) verdwijnt in de kleine ruimtes. De kleur en het torment van de wrongen blijft. Dikke patine, zelfs in brons bevestigd, van kleigeduw op een porseleinen Mandarijn in middeleeuws gewaad. Rij na rij nieuwe Vlaamse miniaturen (wat als schoonste overblijft tussen Wittevrongel en Tuymans) staan met verf vastgelegde fotografische miniatuurdoekjes van Declerck. Het zijn hoofdstukjes, fragmenten die in een bepaalde volgorde een menselijk verhaal geven. Een kruipende deerne in paillettenhuid, alles zwartgelakt op identieke sokkel in een totaal witte kamer…. Tamburino, I don’t masturbate, seriële porseleinen jongens en over elkaar verroerende lichamen. De historiek van de video-art van een naakte slapende kunstenares uit 1972, stadslandschappen en pure verf van Ina van Zyl. Versta je me: ik leef van werk naar werk en aanvaard dat elk werk mooi en waardevol is. Maar er is weinig verrassing, weinig momenten van plots geluk om nieuwe schoonheid. En neem van mij aan: ik ben eigenlijk maar een luie bezoeker. Te weinig galerijkennis en te trage tred langs ieder werk. Ik ken dus weinig stukken, maar die ken ik dat wel goed. En de herinnering aan die stukken hangt hier. Er zit ook geen persoonlijk geluid in. Wie is de curator? Ik denk hem te kennen uit het aankoopbeleid in Knokke, en dan nog alleen van horen horen wat dan al weer meer zegt over wat de andere van hem denkt. Watou moet nodig in de stellingen gezet worden. Het concept is prachtig. Het gouden Boek is ontzettend rijk. Laat ons bijvoorbeeld deze editie gewoon in de lijst zetten als teken van de tijd: iedereen is op zoek naar iets nieuws en niemand vindt het. Daarnet in Venetië was het ook al van dat. Laat de vader van het moment-Watou mediteren in de rust van de nazomer. Neem het gedicht, en laat daarop kunst maken. Of laat de kunstenaars die hij kiest een eigen of een vreemd werk kiezen. Curators zijn er vaak omwille van een hoog te houden standing of omwille van een goede intentie maar een zwakke uitvoering. En nu: snel naar Watou2007.
André Baert |
|
|
http://www.poeziezomerswatou.be/index.htm |