N.O.T.
30.06.2006

 

Wat trekt mij aan in Free State?


Oostende- De locatie. Een oude militair hospitaal waar ikzelf ooit probeerde van mijn legerdienst ontslagen te worden en waar ik een in-gewikkelde voet ophaalde na een nachtje afzakken nà de eerste matrozenopleiding. Ik wandel er door dat gevoel van alleen zijn, van een opgebaarde soldaat, een stervende kolonel in het duinenpaviljoen, van een vader met nierstenen, een oom met geelzucht en nonnetjes die pijnlijk prikken omdat christus toch meer afgezien heeft.  

De combinaties. Het recept. Een opplooibare vliegveldterminal op een grasveld waarlangs afbraakmateriaal taxiet. Het klankdessert van duinstilte, afbraakuren en luchthavengeluiden – je gaat er bij neerzitten en wachten – brengt dromen van reizen maar ook van prefab noodbehuizing in gebieden van oorlog of natuurgeweld. Diezelfde sfeer als in de sterk geëngageerde 50ste Biënnale van Venetië (2003). Misschien even opmerken dat Documenta Kassel 2002 en 2007) een zeer goed gefilterd beeld geeft van een halve decennium kunst, terwijl de Biënnale van Venetië frivool tweejaarlijks kan springen van ernst (2003) naar finesse (2005). Beaufort (2003 en 2006) is plaatsgebonden en in opgroei nog zo geketend aan financiering en toerisme. 

Kunst wordt ook tastbaar. Van de bouwvallige hoge stookplaatsschouw wordt een redelijk aantal bakstenen opnieuw in de aanzet tot een nieuwe ongemetste schouw gelegd. Naar vorm goed, naar setting hoekig en tijdelijk. De tijd heeft plaats doen ontstaan voor reduceren (essenties) en herwaarderen (een mooie en duidelijke vorm). Dat je van het proza van stenen op een zanderige bodem poëzie maakt kan alleen door concentratie. Door specifieke aandacht waarbij het object door de zoeker, de lezer of de kijker heel aandachtig van steeds meer naderbij gelezen wordt.

Maar in welke mate moet die aandacht geprikkeld worden. Is de plaatsing van een kunstwerk in een bepaalde locatie pas geslaagd als beiden van elkaar onderscheiden kunnen worden door een soort ernst en jonge geschiedenis. De ernst is het verschil tussen een ruïne en een vernieuwing (herplaatsing) of een nieuwigheid (plaatsing van een object dat oorspronkelijk niets met die specifieke omgeving te maken heeft). De geschiedenis is er al in de vervallen staat van het gebouw – versterkt door de afbraak, renovatie en restauratie – waarbij we meteen aanvaarden dat verval eigenlijk geschiedenis genereert of op zijn mens moet aanzetten om de tijd als denkpartner te gebruiken. Die tijd is vaak dubbel aanwezig. In de fotografie die de tijd plots heeft vastgelegd, terwijl de oorsprong doorgaat. Een stuk van de tijd heeft onthouden. Maar de inhoud van die tijd verdwijnt vanaf het moment dat de opgenomen foto geviseerd word of gewoon al geëxposeerd. De kijker denkt dan zijn verhaal bij die tijd.

Is dat dan herdenken? Neen: herdenken bestaat niet. Alle denken is oorspronkelijk. Theorieën zijn dus tijdelijk maar daardoor ook boeiend omdat je ze permanent moet aanpassen aan de realiteit van de wetenschap en de filosofie van de na-denker. En meer nog: de wetenschap en (naar we recent mogen geloven van de regerende paus) de mystiek hebben nood aan verse filosofische benaderingen. Al was het waar om de twijfelaars te sussen. Is de trilling van de wind tegen een draad, getransporteerd naar een receptor die er klank van maakt, wetenschap of filosofie. Is de overmaatse polyester drijvende boon wetenschap of een zoektocht? De kooi voor nachtdieren wil de vormgeworden studie zijn. De lichtlijnen door weerkaatsing zijn tastbaar maar willen vooral licht zijn. Dranghekkens in broos grijs hout kondigen aan maar de plaats en tijd staan niet vast.  Dat wordt denkwerk. De wetenschap heeft ze in evenwicht gemaakt.

Die dranghekkens zijn klein maar verwijzen naar grote gebeurtenissen en daarom komen ze vaak in grote hoeveelheid voor. Ze luiden een verwachting in. Ze worden eerst gestapeld – mooi gestapeld – en dan monumentaal gerangeerd op een bepaald parcours. Ze kunnen ook zichzelf afschermen. Dus als je weet wat de bedoeling is van een object, dan stel je meteen die ene vraag: wat zal hier gebeuren? En hopelijk is het nog niet voorbij. Een gestileerd dranghek op een afgezonderde plaats kan doe verbazen, maar zou eigenlijk weeral de tijd moeten oproepen: wat heeft de kijker over die plank heen gezien. En als ik hoe dan ook over het hekken kijk, mag ik dan een uitzicht bedenken? Is een dranghek op zich een rustplaats of en plaats om te dromen? 

Alles is een dialoog. Wat ik zie is het zijn van dat iets en het kijken van die ik. Ik ben wat en wie ik geworden ben tot daar en dan. Het iets is op een duidelijk moment de eindvorm of het slotgeluid dat iemand gemaakt heeft. Het geluid van een omgeving concentreert tot een geheugen dat zich op gelijk welke manier kan verplaatsen door de tijd. Is het nu via herinneren of via een geleidende draad. Het eindpunt is een dubbel signaal. Die van de verplaatsing tussen bron en gehoor. En die van interpretatie. Is het muziek of gewoon geluid. En wat is dan geluid tegenover de menselijke variant muziek. Kan een mens geluid maken zonder referenties naar een partituur op papier of in het collectieve en tijdloze, dus permanent aangroeiend geheugen. 

Zijn de gids in het park of de observant van het project, de tenor in het oerwoud of de schilder met water in grote steden acteurs, zij die iets uitvoeren dat door anderen voorgeschreven werd of dat ze zelf eerst bedacht hebben in een bepaalde (geëngageerde) context. Of is het de captatie van een realiteit maar dan zo geschematiseerd dat die nieuwe samenstelling minstens een kleine bevreemding teweegbrengt. En stel dat de onderliggende bedoeling een ernstig engagement op sociaal vlak verbergt of precies wil tonen, in welke mate activeer je die bevreemding. Maak je dus een soort mengsel van zinsneden, natuurlijk decor en een compositie die op herhaalde moment een spanning toont. Een gebeurtenis of een houding. De aard van de taal of de tonaliteit van de stem. Ritme in beweging en snit. Dus eigenlijk kom ik altijd terug tot de beginselen van film. Alleen het lichaam heeft hier weinig in te brengen. Maar dat is dan het domein van Erik De Kuyper. 

Zien is onthouden. Althans proberen te onthouden wat op dat moment dieper in je eigen lichaam (via oog en lichaam) bewust bewaard wordt. Een lichaam is vorm en zintuig. In de vorm zitten de functies; de zintuigen zijn de kanalen waarin de eigenschappelijke namen informatie schuiven. Een oor hoort, een oog ziet, een neus ruikt, een mond proeft, de huid voelt. Al de rest zijn eerstelijns receptoren. Het hart, vaak de ziel genoemd, is het uiteinde en tezelfdertijd het begin. De hersenkronkels zijn het collectieve geheugen dat permanent aanvult, klasseert, systematiseert naar gelang de kruiden van de individuele mens. Een foto is dus tweemaal echt. Het feit van de opname en het beslissen dàt daar en dan vast te leggen. De tijd is een stootwagen bagage. De drager, de duwer: duwt voet voor voet de tijd over ontelbare gebeurtenissen die een voor een en altijd telkens door één mens meegenomen worden, geschaafd om in te passen. Bewaard, als een foto. Een foto is een moment en door het onthouden van dat moment wordt de foto een stilgelegd levensmoment. In wezens, mensen of landschappen die allemaal een kwetsuur hebben.

De schilder toont vaak schilderijen en dan weten we nooit hoe ze gemaakt zijn. In die zin is het in zijn totaliteit plaatsen van een kunstenaarsatelier op een expositieplaats een tweeledig manifest: de daad als kunstwerk en het zicht op de plaats waar andere kunstwerken werden of nog worden gemaakt. De verf, de potloodlijnen, de krassen, de inkadering, de markering, alles dat in normale omstandigheden van het atelier (dat ook het hoofd kan zijn) naar een ruime wordt gebracht (van zaal naar notaboek) is een geschrift over bedoelingen. Een kras kan het verval verduidelijken maar door de aandacht waarmee het op de muur wordt aangebracht, wordt de ruimte verrijkt met een duidelijk signaal van herkenning van de waarde van de natuurlijke teleurgang van materiaal. Wanneer een schilder dan dat materiaal dat eigen is aan een locatie (een garage bijvoorbeeld) gaat uitvergroten door er dikke lijnen bij te zetten, dan wordt de omgeving onmiddellijk een deel van het kunstwerk. De geur van olie en oud ijzer, de plooien in oude reclame en een vervagende markering, zijn integraal deel geworden. Dit is een nieuwe site (in situ) als tempeling van de menselijke activiteit van altijd onderweg (garage) en de alom appreciaties voor de ‘geest’ van de plaats door de jonge kunstenaar die eigenlijk de ware historie van komen en gaan niet heeft meegemaakt. Werd de dood van hieruit vervoerd of alleen het gezag. En wie heeft macht over leven en dood: het zieke lichaam of de tijdgebonden dokter?

Uit het transparante lijf van oude gebouwen vertrekt wat sommigen zeggen: de ziel van het huis. Als een geluid dat stopt, als een kleur die wegbleekt. Als ruimte die door het teveel aan zon plots leegte bewijst. De andere tijd heeft zijn lopende band in het rusthuis naast de deur. De passante zijn wij, door een draaideur waarin we ofwel meewandelen ofwel door een beslissing uitstappen. De kerk wordt een wachtzaal of een uiteinde. Waar soldaten opgebaard lagen, is nu rol van meditatie opgenomen door de klank van een draaiende deur, zonder echt uiteinde maar met een retour naar af. Lange zalen zijn de tempels voor opmerkingen over plaatsen en registraties. Cijfermateriaal in kamers. Zand, water en peperkoek met graffitiallures. Buiten is het stil rond het voetbalveld waar fris nieuwe publiciteitspanelen de goede bedoelingen van cultuur als heel tijdelijke kunst opwaarderen, zonder het verhalende van de Afrikaanse straatpubliciteit en aankondigingen in gedrang te brengen. Een lange lijn herinnert aan “For All The People Forever” met een nostalgie naar hippies achter de duinen en in het fort, de vlaggen van strijdende landen op een militair hospitaal en de wereld na de beeldcultuur van Vietnam.

En dan vraag je me: zijn de verwachtingen ingelost? In “alle onbescheidenheid”: heel zeker. De kern van Freestate la in de opbouw en de trage start. Na 5 bezoeken voelde je de frisse kracht niet meer. Dus jonge kunst moet leven en dat leven moet je ook kunnen zien. Hebben ze iets “over de drempel getild?” Ook heel zeker, want de combinatie van locatie en inhoud had iets van een onduidelijk amateurisme door de variabele verspreiding, de kruip en sluip momenten, zand, zand en zand, … en heel veel verspreide bezoekers die achteraf een minibiertje uitgeblazen hebben. Hendrik Tratsaert had het aanvankelijk over een zuivere en geborgen enclave. Een bijna utopische vrije staat war jonge en kritische kunstenaars in situ ‘samenzweren’ om de dramaturgie van het parcours uit te denken.

André Baert en Annick Marchal
22.06.2006 – 01.09.2006

 


INFO

 

Facts en Figures via deze link FreeState in NOT