|
|
|
|
|
Brugge, Stadsschouwburg - Wat doe je dan met de emoties die je onthoudt uit die ‘onoplosbare droom’ waarlangs de vingervlugheid van de clown streelt. De spiegels die niet eens de schaduw uit het hart kunnen wegglinsteren als feevonkenlicht in een circustent. De pijn wil de pijn van onzichtbare vleugels zijn. Waarover vliegt de man die de wolken wil meten? Is het een raket die hem doet vallen? De herhalingen die hem in slaap drijven? Is het reliëf van het toneel het dagboek van 100 minuten schoonheid. Of de som van geluk en ongeluk. De afwisseling tussen schoonheid en verderf die niet schoon wil zijn, omdat hij ten volle van zijn gegeven waarde wil genieten. Wegebben, tanen, verdwijnen heeft iets romantisch, dat alleen nog in ballet en bij clowns verder leeft. De permanente beweging van een redeloze slinger tussen de traan van het schone en de bittere kou van arrogantie en tijd. Slingeren tussen nu en opnieuw en dan opnieuw ‘opnieuw.’ Tussen waanzin en trucs. Tussen mij en de pop. Tussen het tijdloze van de vastgelegde beweging, in pop of brons, en de beweging zelf. Tussen het denken om het te doen, het doen en de na-zindering die toneel wordt. Of de uitbeelding in vorm en taal in een decor dat zowel een kijkdoos als de kijkdoos zelf kan zijn. Wat is waanzin. Wie weet wat waanzin is. De mier? Want oefenen baart kunst. En toch geen applaus, zegt de kunstenaar in deftig pak. Oefening baart kunst. Dus gooit hij borden tot decorstukken, en tormenteren twee tafels, een zetel en een kapstok weg tot eilandjes waar iets opnieuw kan. Een goocheltruc, een scheldtirade of ontgoocheling. En de woorden zijn na die stilte zo intens dat er toch een schuchtere handjesklap komt dat zo uit het scenario geplukt wordt. De (slechts) 100 bezette zetels zijn maanden, jaren voordien geregisseerd door Fabre omdat hij wist hoe men zou reageren. Of Roothooft heeft het geweten. De muilmeester, de mimekop, de gave Schoonaerts, de materie en het model. De andere kunstenaar die bij een schilderij of een beeld te zelden tot nooit geapprecieerd wordt (of herkend). De theaterspeler die met zichzelf een ander door een ander speelt. Zoals een dichter uit een beeld een gedicht maakt. Of de zanger met tannine (liefst als Fado) over de ziel struikelt. Hij – is het Roothooft of Fabre of beiden – Hij dus: drijft het ritme op door het inkorten van de tijd tussen twee herhalingen. De schaduwen worden sneller prikkels van angst en pijn. Het elastiek wordt het labyrint van vormloze spieren, het kuras, van een gepantserd kruipdier in een wereld die meer en meer op die van Erik lijkt. Het zijn genetische krassen of opgelopen verwondingen. Het maakt het lichaam tot een sculptuur, tot een beweging die misschien nooit stopt. Is de laatste buiging aan het eind van de 100 minuten de laatste noot, de punt zonder komma? Of is de diepe zucht voor zijn musquetère het teken dat de uitbeelding daar en dan stopt. Misschien maar voor even, want dan gaat hij voluit in de buiging. Uitgeput, leeg. Prachtig. Nazinderen in zuivere elastiek, harmonie van humor, recitant, poëzie en woede, van theâtre en toneel. 100 minuten zeer direct contact met het publiek laten spoortjes. Denk mee aan de specifieke binding tussen tekst en performance, de daaraan gekoppelde afstand tussen creatie en presentatie en uiteindelijk het verschil tussen creatiepijn en expressievrijheid. Wat is echt en wat is gespeeld. Als toneel spelen is, wat is dan begin en einde. En hoe? Bijna kitscherig op de tonen van I did it my way….. André Baert |
|
|
Over beide monologen |