Sorel en Jonckheere
(en minstens ook omgekeerd)


Oostende - Het is en blijft de vraag waarom men zo lang wacht op het mooie. En waarom kijkt men zo strak naar een tijdsverband. Zoveel jaar dood. Zoveel jaar geleden (geleden: ook al zo’n woord) geboren. Erger: wordt men 60, of hangt er een brug van ongeveer enkele decennia over de eerste penseelstreek (of toen nog mokerslag) en de finale bevestiging van zichzelf herhalen, dan moet er een catalogus, liefst een monografie (en waarom niet van Brutin), en een retrospectieve komen. Wat denken die eigen-herinneraars dan? Heb ik het goed gedaan, waar ligt het hoogtepunt, hoe was de verkoop en waarom daalt ze. Als ze al bestaan heeft. Hoe internationaal is een prentenkabinet in het verre China of een eerste selectie op basis van een dia tussen duizend andere? Vragen dus. Allemaal vragen.

Waarom Karel Jonckheere en Gustaaf Sorel? Omdat ze alle twee 100 jaar terug geboren werden. Ze hebben dezelfde meisjes versierd want ze lieten zich anatomisch versterken bij de Koninklijke Turnclub Noordzee. De ene was groter dan de ander, terwijl de andere misschien een ruwere mannelijke kracht in zich had. Ze gaan samen op stap, letterlijk, omdat ze in elkanders buurt wonen. Maar van zodra de innerlijke gloed van woord of verf open bloeit, gaan ze elk hun weg. Er is nog een raakpunt in een vernissage of een artikel in krant of boek waar de ene het woord heeft over de andere.

Eigenlijk hebben ze weinig gemeen, of ’t is de tijd waarin ze geleefd hebben.

Gustaaf Sorel houdt Brussel, Parijs, Londen in zijn geheugen als verticale lijnen van bouw die hoger is dan in zijn klein Oostendse nestje. En ieder vlak dat hij daarin trekt is een kamer waarin dingen zijn en meer dingen gebeuren die niet zichtbaar zijn door het raam dat per verdieping centraal staat. Soms met gordijn, meestal met een half mensje dat oogloos kijkt naar de straat, de processie van tradities en groepen mensen die even uitzichtloos flaneren langs gelijkvloerse dingen en gebeurtenissen achter gelijkvloerse ramen waar vaak een meisje of dame van andere zeden kamert.

Zoon Louis Sorel hield het indertijd bij Gotisch Expressionisme. Dat betekent zoveel als sterk geladen inhoud in een verticale opbouw waar meer dan voldoende licht over gestrooid wordt. Dat licht zie je niet. Ook in de marines of het landschap is het licht slechts een toonloos decor waarover wolken in lijntjes krullen. Het hoogtepunt van licht vind je hoe kan het anders in de (zwart) tekeningen op onberoerd papier. Het is wat niet getoond wordt dat maakt dat het andere zichtbaar wordt, maar door de eenvoud van zowel kleur (dus geen) als de vloeiende en vaak heel snelle beweging van het neergetrokken, geveegde of gekraste lijntje, ontstaan parels. Zwarte Parels, want met die bijnaam blijft hij aan Ensor kleven. De grote meester vond zijn werk goed.

Weg uit die straten in olieverf of potlood reist de dartele Karel Jonckheere langs het graf van Manon Lescaut (dat hij door een prille Denise laat lezen) naar alle uiteinden van de Vlaamse cultuur. Hij wil dat het Nederlands gelezen wordt. Hij gaat met de trein naar deze en gene studio voor een interview, een spelprogramma, een bespiegeling. Hoort krekels in Roemenië, walgt van de vis rond IJsland vertaalt de dood van de oude Zuid-Amerikaanse beschaving, en dicht jaar na jaar over de liefde en de affectie voor moeder en kind. Hij dicht het ultieme woord voor de verloren borst en de ogen die niet zien.

Daarbij is hij een schrijver. Hij schrijft. Hij beveelt zichzelf één blad per dag. Eén per dag is een boek per jaar. Ik heb slechts drie plankjes vol. Ik vermoed dat er uiteindelijk een muur moet staan om ze alleen nog maar op hun rug kant te zien. Zijn verhalen zijn geen exacte verhalen maar zeer nabije waarheden die schoon zijn omdat de delen van de som allemaal echt gebeurd zijn of er ooit gestaan hebben. Daar. In Oostende bijvoorbeeld. Waar hij zeehondjes bij heidense zoutkrabbers en schapen bedenkt. Albrecht en Isabella zijn narren met veel pretentie.

Maar Denise en Floris zijn wimpel en schrikdraad tegelijk. Geluk en vrees voor eenzaamheid wanneer hij achter een duin wil liggen. Hij ligt in Rijmenam. In een gemeente die hem niet kent en er geen straat wil aan vuil maken. En Oostende? Jan Guillemin beloofde de regelmatige poetsbeurt van zijn commemoratief plaket aan het geboortehuis in de Paulusstraat. Enkele lange meters weg van die andere Oostendenaar die geen naam meer heeft. Gustaaf Sorel.

"Ik voel me gelukkig dat iemand me nog leest" zei Karel Jonckheere met een reeks verontschuldigingen voor zijn ‘embolie’-gevolgen. Het geheugen zat nog in de zetel. Ondertussen zwerft Gustaaf Sorel niet meer tussen Pacha Kruidenier op de hoek en de academie achter het park. In zijn hand een bloemkool als model. In zijn zak altijd houtskool en een reepje papier. "Ik heb hem gelezen en ik heb van de schilderijen genoten" zei iemand vooraan. Verleden tijd? Tot nu. Maar wat straks?

Hoe dan ook: een hoge hoed voor de planners Martine Meire, Laura Maes en Norbert Hostyn en uiteraard Dirk Beirens die al bij al tijdens de voorstelling te stil bleef.

André Baert
03.12.2005


INFO

" Waar Plant ik mijn Ezel"
Karel Jonckheere en Gustaaf Sorel
Venetiaanse gaan derijen, Zeedijk Oostende
03.12.2005 - 12/02/2006