|
|
Brugge - Fotografie heeft een ontzettend sterke achterban
gekregen. Fotografie staat dit jaar op Lineart nog meer op een voorplan, de
Provincie Antwerpen profileert zich als ondersteuner in Vlaanderen en
West-Vlaanderen groepeert zijn fotografische talenten in diverse
groepstentoonstelling of, zoals in het Museum voor Volkskunde, geeft specifieke
opdrachten aan jonge West-Vlaamse fotografen. Met deze opdracht boeien drie
fotografen op drie totaal verschillende manieren. Ik geef ze u zonder voorkeur.
In dit smal, propvol maar oergezellig museum stonden teveel
mensen te smal te wachten op een toespraak die … te laat begon. Te laat is
relatief: hoe dichter bij het beginmoment, en hoe on-aanwezig een hoofdspreker,
hoe meer men piekert over de drukte en ‘gaat dat nog lang duren?’.
Uiteindelijk ongeveer op tijd worden warme woorden als
erfgoed in beeld, confrontatie, creatie en communicatie in zinnen gezet. Dat en
een uitstekende lapsus van de schepen van en voor Cultuur Roose die van zijn
stedelijke museum een provinciaal museum maakt. Zolang jij maar de kosten
draagt, zegt de gedeputeerde voor en van Cultuur Pertry.
Het project heet "Erfgoed in Beeld" en loopt van 1 december
2005 tot 19 februari 2006 als onderdeel van de viering 50 jaar Dienst Cultuur
van de Provincie West-Vlaanderen, meer bepaald voor deze tentoonstelling de
afdeling Erfgoed. Oud en nieuw staan naast en door elkaar op diverse lagen.
Oude heem-kunst naast moderne fotografie. Moderne digitale
registratiemogelijkheden tegenover een handdrukpers en even handgedrukt papier.
Oude of gestorven meesters die geolied kijken naar fris jong lawaai. Ik bedoel
wel degelijk lawaai, maar dan van een subtiele stille aard die lawaai
genereert. Daarmee wil men duiden op de feitelijkheid dat wat van oudere tijden
is niet oud moet zijn. De geschiedenis van een handdruk wordt de actualiteit
van communicatie en democratie. Een oud gelaat toont een moment waarin de tijd
opgeslagen is. Door het nu te zien, is die tijd verlengd of krijgt dat uniek
moment een blijvende tijd in de kadrage van een titel, een datum en een
expositiemuur.
Charlotte Lybeer
(Roeselare 1981) maakt die brug heel duidelijk door te tonen hoe de traditie
van bv stoeten, processies, festiviteiten die ooit opgestart werden, nu nog
voortleeft in een dualiteit waar we te vaak aan voorbij gaan: de oorsprong die
blijft, zelfs in een afgezwakte versie, en de actuele uitbouw die de reden van
die afzwakking is. Een man vandaag in een ridderkleed van nu is theatraal.
Diezelfde man in een authentiek stuk is dan weer dramatisch en draagt – in vele
gevallen – de boodschap van dood en schuld die met het christendom meegegeven
wordt. De locaties moeten het personage in een omgeving zetten waar ze naartoe
gaan of waar ze moeten zijn. Een pijnlijk net-grijs straatje met open
garagepoort. Een steriel grasveld, een cementen bank. Wat heeft Vlaanderen met
dat meegesleept torment van tornooien en martelaren? Wanneer in Leffinge
(Middelkerke) de Maria-processie uitgaat, wandelt de ene helft van het dorp
terwijl de andere helft kijkt. Nog zelden iemand die knielt voor het plaasteren
beeld dat Charlotte Lybeer kraaknet tegen een blauwe lucht zet.
Frederik Vercruysse
(Diksmuide 1974) Is van de drie fotografen die meest nuchtere. Hij zet zich in
de geheimzinnigheid van bv een museumdepot en wacht af wat er beeldend op hem
zal afkomen. Wat is een museum anders dan iets doen verbazen, terwijl achter de
coulissen die grandeur gereduceerd wordt tot laden en schuifwanden. Dat is
slechts één aspect. Een backstage van een museum is ook een soort hospitaal
waar stofjes verwijderd worden, vlekjes ingekleurd, waar de patiënt op een
zacht houten bed met stro worden gelegd of gewikkeld in een dekentje met
luchtkussentjes. Zo weg van het universele en het unieke naar de naamloosheid
van bewaren. Ook de tafels met leeswerk, de werkplank met afzuigsysteem, de
lichtpunten op restauratiewerk spelen een belangrijke rol in dit leven dat door
de fotograaf zo kalmweg geregistreerd wordt. Hij wordt even bevreemdend – dan
toch in de context van oude en moderne niet hedendaagse kunst – wanneer hij een
museummuur met aanwijzingen en bewakingscamera ‘bewaart’. Zonder de personages
die hanteren en doen, lijkt dit een gestorven wereld waar die dood levend
gehouden moet worden. Maar wacht: is het allemaal wel voorbij? Neen: je moet
alleen daarna de tijd nemen om de verf af te lezen, het houten te vezelen, de
steen te wrijven.
Katrien Vermeire
De Haan 1979) speelt met het vluchtige karakter van het erfgoed. Van de lokale
geschiedenis. Hij kiest voor een zestal volksverhalen die ze uit de
volksverhalenbank van de Provincie haalt. Ze laat de essentie van het verhaal
‘tonen’ door toevallige modellen. Twee nonnetjes, een vluchtig paard met
koeien, een man met kip, een wazig frontaal van een oud gezicht, … De handeling
van de personage(s) wordt vastgelegd op polaroid en uitvergroot naar een
plastisch formaat. Dat betekent dat die uitvergroting een monumentaliteit op
zich wordt. Dit is de tijdelijke fixatie op museale wijze voor altijd
vastgelegd. De waarde van deze opnamen is tweeledig. Ken je het verhaal, dan
weet je meteen dat een volksverhaal bijna altijd iets mysterieus heeft. Het
bijgeloof kan je niet uitbeelden, want het zit in het hoofd, in de fantasie.
Wanneer je het verhaal niet kent, en je kan dus hoe dan ook uit de foto geen
verhalend punt halen, dan blijf je met het zuiver fotografische zitten. En die
is in die gekozen imperfectie zeer sterk. Alsof je naar een aanleuning met de
schilderkunst gaat, waarin een quasi nonchalante houding of anekdotische
opstelling een moment wordt vastgelegd dat door die eenvoud en die tijdloosheid
zoveel meer biedt. Het verhaal kan je zelf uitvinden.
De begeleidende catalogus is – zoals altijd – uitstekend. Ik
wil daaruit een tekstfragment van Marc Ryckaert, dienst Erfgoed.Meegeven. Omdat
deze tijd van alle tijden is. Ook van toen:
"(…Edmond Fierlans… schrijft in 1860 aan minister Roegier)
Elke dag verdwijnen in ons land enkele van de monumenten die de Middeleeuwen en
de Renaissance er zo gul hebben uitgestrooid. De uniformiteit van de moderne
constructies overspoelt onze steden die vroeger zo schilderachtig waren."
Tenslotte kan enkel de fotografie "een getrouwe weergave van de objecten
opleveren, zodat een vrij nauwkeurig spoor overblijft van datgene wat in de
toekomst zou verdwijnen, hetgeen ofwel herstel mogelijk maakt, ofwel op zijn
minst een troost is bij het verlies." Wat de drie fotografen ‘bewaren’ is de
tijd en wat de mens daarmee doet.
André Baert
30.11.2005 |