|
|
‘Oostende 1930’ |
|
|
|
(Henri Storck & Luc de Heusch, 10 min, 2005). Onuitgegeven beelden van Henri Storck, gemonteerd door Luc de Heusch tot een nieuwe korte film, volledig in de geest van hun maker De korte film ‘Oostende 1930’ wordt samen met Storcks laatste werk ‘Permeke’ (een docudrama over de expressionistische schilder) op zondag 6 november 2005 om 10 u 30 aan het publiek voorgesteld in ciné Rialto (Langestraat, Oostende). Deze voorstelling is een organisatie van de Provincie West-Vlaanderen en de Stad Oostende. Raoul Servais, ondervoorzitter van het Storck Fonds, en Patrick Vanslambrouck verzorgen de inleiding, resp. van Oostende 1930 en van Permeke. Gratis kaarten zijn vooraf te verkrijgen aan de kassa van ciné Rialto – enkel tijdens de uren van de vertoningen. Het moet zowaar het allerlaatste professionele werk met eigen, tastbare filmpellicule geweest zijn, toen Henri Storck in de laatste maanden voor zijn dood de nooit eerder vertoonde beelden uit de jaren 1929-’30 terugzag, met als enig doel het beschikbare materiaal te monteren tot een volwaardige korte film . Ondanks zijn verregaande slechtziendheid – een beroepsziekte, zo schertste hij zelf – kon hij toch nog, voorovergebogen over de montagetafel en met de hulp van twee assistenten, alle acht ontvlambare spoelen 35 mm-nitraatfilm, stom & zwart-wit, met de viewer bekijken en inventariseren. Tijdens de visie in de ZIA studio in Brussel, kon hij zich alle beelden nog makkelijk voor de geest halen, net alsof ze pas gisteren gedraaid waren. Door de magie van het beeld vond ‘de oude man van de zee’ die bruisende energie van zijn beginjaren terug, zodat niet vijf (zoals voorzien) doch slechts twee dagen nodig bleken om de klus te klaren. Terstond werd hij weer de gepassioneerde Meester, die hij altijd was geweest… Situaties, omstandigheden, personages en namen schoten hem probleemloos weer te binnen, op het gevoel af bijna, net als toen hij nog die jonge, bevlogen filmer van 22 was. Onwillekeurig was voor Storck de cirkel op dat ogenblik definitief gesloten. Hij legde de laatste hand aan het werk waar hij zeventig jaar geleden aan begonnen was: reportages maken over de belle époque in ‘zijn’ Oostende tijdens het interbellum (zijn zogenaamde Oostendse periode) Niet zonder enig genoegen deed het hem terugdenken aan die glorieuze beginjaren in zijn geboortestad, toen hij, in opdracht van de stedelijke overheid en burgemeester dr. Moreaux, als officieel cinegrafist van de Stad Oostende, de eerste actualiteitenfilms draaide. Doordat de verschillende buitenlandse maatschappijen van newsreels (Eclair, Paramount,…) hun eigen materiaal met dat van Storck uitwisselden voor projectie in bioscopen over heel de wereld, konden zij de pracht van de stad uit die jaren internationaal helpen uitdragen (wat de stad omzeggens niets kostte!). Ca me faisait un fameux carton, bekende hij later fier in interviews met de Franstalige media, daarbij handig alluderend op de dubbele betekenis van het Franse woord ‘carton’: enerzijds die van ‘kaart’, anderzijds die van ‘een verbluffend succes oogsten’… Deze perskaart – een facsimile ervan werd gebruikt als aandenken ter zijner nagedachtenis - was voor hem immers een vrijgeleide om allerlei feesten, sportmanifestaties, evenementen, en officiële plechtigheden in de stad met de camera te verslaan. Daarmee kwam hij ongewild tegemoet aan het devies in zijn profetische tekst Eureka, neergeschreven op 13 juni 1929: “en vooral, waarvoor ik wil kiezen en wat ik wil worden, dat is ‘actieve getuige zijn van deze eeuw’. Ik zal de mensen tonen hoe de wereld ronddraait, hoe ze leven, hoe ze zich organiseren. En dit alles door middel van een universeel expressiemiddel: de film.” De tijd(geest) in beelden vatten, het verleden bewaren voor het voorgoed verdwijnt, een nobeler gedachte kan een prille twintiger zich niet indenken. Terwijl de eerste films die in Oostende gedraaid werden de ongedwongen zee- en strandgenoegens verbeeldden in een veeleer koldereske verhaallijn (Seebad in Ostende 1896, Hans Hückelbeim, les frasques d’un bourgeois berlinois à Ostende datum onbekend) of gewoon ‘plaatjes’ weergaven van typisch Oostendse onderwerpen (De aankomst van de maalboot te Oostende 1897, Het strand-Gaumont newsreel 1900), zal Storck als eerste meer documentaire-etnografisch tewerk gaan. Door met beelden over Oostende te schrijven, door surrealistische situaties voor ogen te zien met zijn gelijkgestemde vrienden, door het uitermate sterke licht aan de kust juist in te schatten, leerde hij het filmvak door en door kennen. Het was zijn universiteit, zo stelde hij veel later, want een andere keuze bestond toen niet! Plus on y songe, plus il apparaît que la reine des plages doit la belle part de son éclat à Ensor au premier chef, un Ensor, à la très efficace présence et qui, même disparu, continue d’opérer…Hoe meer men er aan denkt, hoe meer blijkt dat de Koningin der badsteden wat betreft haar glans bovenal schatplichtig is aan Ensor, een Ensor met een zeer doelmatige aanwezigheid die, zelfs na zijn overlijden, nog steeds effect heeft. Dit schreef Michel de Ghelderode, die ook een tijdje in Oostende woonde, over de buitengewone relatie van Ensor met zijn geboortestad. Ook in de film is de kunstenaar in een bevroren beeld dominant en dubbel aanwezig. Gewoon, zo stelt Luc de Heusch fijntjes, omdat hij de motor achter de hele film is. Verder krijgen we beelden te zien van Gwen Norman (de actrice uit Strandidylle) die een rad maakt op het strand en van de reizigers van de Pleziertreinen (die voor een dag van strand en zeelucht komen proeven), dr. Moreaux, de burgerlijke, militaire en kerkelijke hoogwaardigheidsbekleders tijdens de zeewijding, de Ommeganck, de Jubelfeesten (n.a.v. 100 jaar België), een bloemencorso, de carnavalsstoet van halfvasten, de reuzen van de stad en de folkloregroep ‘De vismijnvrienden’, de Ibisjongens tijdens een praktijkstage op het schoolschip, de jaarlijkse roeiregatta (ook in volle zee!), de paardenrennen in de Wellingtonrenbaan, de boogschieting, een autogymkhana, het vliegveld (toen nog van Stene), het statige Casino van architect Chambon, een eenzame geldzoeker op het verlaten strand… en wat misschien nog het meest beklijft, zijn de beelden van de storm in Oostende! Allemaal onderwerpen die gemakshalve gerangschikt kunnen worden onder de noemer ‘heemkunde’, hoewel niet langer ontkend kan worden dat dergelijke beelden vandaag de dag meer en meer hun plaats opeisen in allerhande media. De vraag van documentairemakers en tv-stations naar gepast non-fictiebeeldmateriaal gaat immers alsmaar in stijgende lijn. Deze beeldbronnen blijken van onschatbare waarde om de authenticiteit en de historische waarde van het verhaal aan de kijker over te brengen en tegelijkertijd ook om het document (in casus het journaal, de reportage, de documentaire) door middel van deze onvervalste bron, narratief te verrijken. Het is dank zij de financiële tussenkomst van het Ministerie van de Vlaamse Gemeenschapdepartement Cultuurafdeling media, van de Provincie West-Vlaanderen dienst voor Cultuur en van de Cultuurdienst van de Stad Oostende dat het project Oostende 1930 tot een goed einde kon worden gebracht. Ook het Koninklijk Belgisch Filmarchief verleende zijn medewerking om het oeuvre van deze homo cinematographicus uit Oostende verder te bestendigen…Ciné RIALTO tenslotte stelt bereidwillig zijn grootste zaal ter beschikking voor de projectie ervan.
Persbericht |
|
|
Henri Storck (°1907 Oostende, +1999 Brussel) Gedurende zijn jeugd verblijft Henri Storck vaak in de ateliers van Ensor, Spilliaert en Permeke. Hij heeft van kindsbeen af veel interesse voor het beeldende in de kunst. Als medewerker ‘film’ is hij direct betrokken bij het kunsttijdschrift Tribord, waarin heel wat internationaal gerenommeerde kunstenaars publiceren. Na het zien van Moana van Robert Flaherty in een Brusselse filmclub is hij zodanig onder de indruk dat hij beslist om zelf dergelijke films te programmeren in zijn stad. Dit leidt tot de oprichting van de filmclub Club du cinéma op 15 februari 1928, een van de eerste filmclubs in België. Gesterkt door de opgedane ervaringen in de filmclub ‘mijn filmschool’ beslist hij om zelf de camera ter hand te nemen en vanaf dan produceert hij heel wat korte en middellange documentaires. In het begin van de jaren ’30 werkt hij in Parijs en in Nice als assistent van Jean Grémillon, Pierre Billon en Jean Vigo (Zéro de conduite ‘32), tot hij zich definitief in Brussel vestigt. Selectieve filmografie (gekozen uit 73 films): Beelden van Oostende 1929-’30, Pleziertreinen 1930, Oostende, Koningin der badsteden 1931, Strandidylle 1931, Geschiedenis van de Onbekende Soldaat 1932, Drie levens en een koord 1933, Borinage (co-realisatie Joris Ivens) 1933, Het Paaseiland 1935, Het huis der ellende 1937, Boerensymfonie 1942-’44, De wereld van Paul Delvaux 1944, Rubens (co-realisatie Paul Haesaerts) 1948, Het banket van de smokkelaars 1951, Herman Teirlinck 1953, De schat van Oostende 1955, Feesten in België 1970-’71, Permeke (co-realisatie Patrick Conrad) 1984-‘85 Afgevaardigd producent van Jeudi on chantera comme dimanche (1966, Luc de Heusch) en van De vrijheren van het woud (1958, Heinz Sielmann & Henry Brandt) Auteur van heel wat scenario’s, o.a. van Bula Matari en van een groots project over de Noordzee. http://ibase035.scarlet.be/storck/ Luc de Heusch (°1927, Brussel) Assistent van Storck voor Rubens, Op de viersprong van het leven. Lid van de Cobragroep, erehoogleraar etnografie ULB Voorzitter van het Storck Fonds Selectieve filmografie: Perséphone 1951, Michel de Ghelderode 1957 (allebei in corealisatie met Jean Raine), Fête chez les Hamba 1955, Ruanda 1956, Les gestes du repas 1958, Magritte ou la leçon des choses 1960, Les amis du plaisir 1961, Jeudi on chantera comme dimanche 1967 (langspeelfilm), Alechinsky d’après nature 1970, Dotremont-les-logogrammes 1972, Zot, dwaas, boosaardig, zo ben ik (zelfportret van Ensor) 1990. http://www.cfwb.be/av/KIOSK/HTM/bios/rdeheusc.htm http://www.cinergie.be/annuaire/realisateurs/luc_de_heusch.htm |