Tussen Huid en Orgasme

 

logo Tussen Huid en Orgasme

Stel dat ik niet van seks houd. Ik zeg wel: stel. Stel betekent niet dat ik beken, maar dat ik van je verwacht dat je je inbeeldt dat ik niet van seks houd. Kun jij je dat wel inbeelden? Weet jij wat de overkant van genot is? Weet jij hoe dan ook wat genot is? En waarom zou ik het dan onderweg verloren hebben? Heb ik het ooit gehad en als ik het ooit gehad heb, was het dan dat maar of was het vooral dat. Ik weet dat het ingewikkeld leest: ik raad je aan het luidop te lezen. Alleen maken dat de omstanders de IK niet voor JOU nemen.

Dan kom ik met een pak vooroordelen bij "Tussen Huid en Orgasme." Ik verwacht de kleffe schoonheid van sperma en bloed van Fabre, maar moet eigenlijk een zware metafoor doorstaan. Dat betekent dat wat er staat ofwel zeer expliciet en alleen een vernieuwd standpunt vraagt. Ofwel zo de metamorfose van woord naar beeld en omgekeerd heeft doorstaan, dat er alleen een banale verbeelding overblijft. Je begrijpt dus goed dat ik de tentoonstelling met een verkeerd been start. En wat blijkt …

Vanaf het begin zit ik in de knoei. In een duister kabinet moet ik me buigen over kopijen van Van Eyck, Courbet, Man Ray en seriegrafieën van Marcel Duchamp. Dat zijn meteen voltreffers die hun historische geladenheid hebben en dus ofwel puur documentair ofwel met een grote contrastwaarde ingepland zijn. Maar dat ontgaat me. Ik begrijp wel dat dit kabinet een installatie mag zijn waarin proefondervindelijk gezocht wordt naar raakpunten tussen de intellectuele uitbeelding van het lichaam en de zinnelijke aanwezigheid van lichamen in een ruimte. Volledig of gedeeltelijk. Gelukkig was er de proloog in de inkomhall met sublieme visuele poëzie van Anke Schäfer, Joëlle Léandre en Charles Sandison. De eerste borduurt ‘Ich Brauche Deine Augen’, de tweede creëert een speciale contrabassessie waarbij de vibratie op zoek naar de toonhoogte de klank van (muzikale) passie weergeeft. De derde componeert een woordenwervel over man en vrouw, kind, leven en dood, wit/zwart in een grote duistere wereld.

De relativiteit van het genot zou wel eens tussen de registratie van opwekken of vaststellen en omschrijven of verbeelden kunnen liggen. Dat ligt daar: Schwingungen van Ulrike Gross bewijst dat. Een lichaamsklep (stembanden) gaat open en toe en in de context van corpus05 kan daarin het ontstaan van het leven verzegeld worden als de permanente geboorte van elke klank eigenlijk alleen vibratie en lucht is. Ria Pacquée stelt dan de oorspronkelijkheid van het wezen fotografisch in vraag. "Have you accepted that whatever seems to be is not, and that which seems not to be is?" vraag ze op iedere hoek van de straat. Daarbij verkleedt ze zich als anoniem klein manneke met flinterdunne presence en kantoorbril. Zo staat ze ook tussen rotsformaties, steenafval, als een Collector of Stones die in haar boodschappenwagentje het ontstaan van de wereld naar een afgelegen kamertje meesleurt. En wanneer het dan echt moet, kan A Colonial Past een onderhuidse creatie niet verbergen. Wie maakt de verdeling? Wie is het begin? De Afrikaan of de ontdekker? Mag het een feest zijn of is er alleen eenzaamheid.

Feesten als met geprojecteerde feestjurken. 16 feestelijke omhulsels van Mirjam de Zeeuw die zoveel intimiteit hebben maar als materieel feit slechts decor zijn voor een cultuurhistorisch gebeuren waar zowel liefde in als bloed aan kan kleven. Wat blijft? De gefilmde wandeling van Maria Julia Bollansée door het bos als visualisatie (misschien) van en denkproces over tijd en plaats in een video-opname van ongeveer 6 minuutjes.

En dan staat iedereen stil bij een monumentale projectie van een rozig lichaam dat bij elke beweging een andere vorm creëert. Het is niet eens mooi. Die Umgekehrte Rüstung van Yves Netzhammer. Ik begrijp de drijfveer, de technische sublieme uitwerking, maar ik verraad mijn gevoel niet dat de monumentaliteit van het werk op dat moment niet past in het eerder subtiele geheel van de tentoonstelling.

Waarmee ik meteen al een soort waardering aanvoel voor dit project, dat bij de aanvang niet in mijn smaak viel. Een stap verder dus.

Kristof Vrancken toont twee afleveringen van Die Verzeihung. De ene bestaat uit 3 foto’s van locatie waar de natuur centraal staat. Er is een troosteloosheid in de werken. De aanwezigheid van de mens, maar dan onzichtbaar of in een detail, of in een anachronisme dat banaal lijkt maar pertinent verwijst naar de mens die boven de kale natuur wil/moet uitgroeien. De mens heeft de natuur gemaakt, omdat het over naam gaat en niet over een tastbare niet-menselijke vrijheid. Wij benoemen en beschrijven. Het andere is, zoals wij voor de andere zijn. Aan de video heb ik helaas geen herinneringen. Vreemd.

Ingrid Mwangi (splayed), een vide van circa 11 minuten zet het christelijke formele van de kruisiging (arm-hoofd-arm) om in drie schermen in die opstelling. Op de ene arm wordt monogamous en op de andere polygamy gekerfd. Dat is driemaal pijn. De metafoor, de wonden en de referentie naar het lichaam dat om het genot en het nageslacht gebruikt wordt. Hoe mooi of hoe ongehavend ook.

Ondertussen krijg ik het gevoel steeds verder opgeslorpt te worden in een soort melange van wat beschikbaar was en toch enige affectie heeft met de bedoeling van het project. Dat heeft veel te maken met de verkeerde (mijn verkeerde) interpretatie van de titel. Als je zegt: tussen, dan kan het dat de extremen (huid en orgasme) helemaal niet aan bod komen. Wat ligt er tussen de huid en het orgasme? Als de huid al de prikkel opvangt en uitzendt, en als die berichten leiden tot een orgasme, dan wijst deze tentoonstelling slechts of vooral op de weg tussen a en b, tussen prikkel en extase. Heb ik dat ondertussen gezien? Misschien, maar ik interpreteer graag. Heb ik onbewust gevoeld waar de curator naartoe gaat? Neen: het lijkt me allemaal zeer expliciet, zeer gedreven, duidelijk, geëngageerd, met een dubbele bodem. En hij gaat verder. Ik vermoed humor, misschien wel kleine pesterijen.

Claire Roudenko-Bertin (le tableau a l’espace du tableau), Fabrice Hybert (A fleur de Peau en zijn puntige schommel), Erik Snedsbol (German Shepherd) en Zhang Huan (Seeds of Hamburg) brengen me in de war; Vooral omdat er veel symboliek in zit. En mijn denkvermogen stopt heel vaak daar waar het sur-reële begint. Van Zhang Huan kennen we de intenties sinds Beaufort. Waar Jan Fabre zijn lichamen laat kronkelen in bloed en uitwerpselen, maar altijd de indruk van ballet intact kan houden, toont Zhang Huan een contradictie. Het mooie lichaam dat door zijn bewerking vooral vlees is, wordt getormenteerd of vernederd, terwijl de ‘lijder’ eigenlijk een waardigheid hooghoudt. Het lijkt een kamikaze maar de dood komt niet. Er is alleen de ophoping op het lichaam van duivendrek in een duiventil tijdens een kunsthappening.

Ik denk dat de kracht van het ganse concept ligt in het ‘laboratorium’ van Anne-Mie van Kerckhoven. De meeste toonaangevende kunstmanifestaties hebben het al bewezen: zowel een work-in-progress als het creëren van een kunstwerk in situ van de manifestatie breekt veel muren rond het intense kunstgebeuren. Terwijl de kunstenaar werkt – op welk tempo ook – kan de bezoeker deel worden van de creaties door een inbreng of door een eenvoudige communicatie. Deze kunstenares laat zich inspireren door de gedachten van een middeleeuwse mystica die op haar eigen (hermetische) wijze het transcendente lichaam verdichtte. Is dat gegeven belangrijk? Het is een aanleiding. Het is de stimulans die uit een bruikbare bron groeit en waaruit de artistieke denkwijze patronen ophaalt die zowel de stijl van de kunstenares als de inhoud van het moment dienen. Wat geldt, is het permanente resultaat van zoeken, creatie, interferatie, communicatie, samenwerken of dialoog, de drie dagen per week dat Annie-Mie van Kerckhoven ter plaatse IS. Ze presenteert ook een video ‘Wat Magnetisme is’ waarin de magie van een locatie inspeelt op het persoonlijke drama van een vriend.

Tenslotte: Anke Schäfer legt een sterke band tussen het zichtbare en het vermoeden. Tussen pijn en uitbeelding. Tussen standpunt en het ballet van eenvoudige bewegingen. Pipilotti Rist projecteert 12 minuten Pickelporno waarin de huid zijn uiteindelijk doel toont: de resonantievelg waarop de hand (bijvoorbeeld) het staccato van liefde, passie, vlees, lust roffelt.

Tussen huid en Orgasme is het verhaal van ‘onderweg’. Waar start het gevoel, waar mondt het uit. Overal zit het denken ingeweven. Alleen: in de realiteit wordt zelden nagedacht. De huid krijgt te weinig aandacht. Het orgasme is vaak de ontgoocheling. Dus: stel dat ik niet van seks houd. Dan houd ik van de weg tussen huid en orgasme.

André Baert
(met Annick Marchal)
27.05-12.07.2005

We hebben nog twee besprekingen.
Lydie Lequeux stelt zich vragen en weet dat conservatief Brugge nooit zal komen kijken.
Niko Hafkenscheid start vanuit de catalogus en vindt dat de vlag de lading niet denkt. Maar dan veel mooier omschreven.

Niko Hafkenscheid                                                    Lydie Lequeux

 

CORPUS 05
Bedenkingen bij de tentoonstelling

“SHOCKING”, zegt een vriendin.  “Alleen al de titel is een provocatie voor de weldenkende christelijke Brugse gemeenschap!!!!” Dus laten ze de tentoonstelling voor wat ze is. Ze gaan er niet naar toe maar kritiseren des te meer: “Een echte schande om daar zoveel geld aan te verspillen…” al is het voor de ruimer denkende Bruggeling “wel tijd dat in dat Brugse wijwatervat een steen gesmeten wordt.”  

Wat heb ik er aan over? Na reflectie ben ik toch heel blij de tentoonstelling gezien te hebben, maar ik blijf met een hoop vragen. Bijvoorbeeld? De projectie van die kleren (Mirjam de Zeeuw): is dat nu bedekken van de huid, zichzelf indekken? Daar moet toch iets meer in te vinden zijn: de kleren maken de man? “Verzamelaars” van dingen die “emoties en herinneringen” oproepen?
Het a-sexuele wezen uit de bloedvlek (Yves Netzhammer)vond ik “ hallucinant.” De manier van uitbeelden van de gang van ’t leven, geboorte, groei, dood. Technisch  wel zeer knap maar al dat bloed. De “carrelage” (Fabrice Hybert) is pleasant to see maar voor mij vond ik in die spreuken een banale uiting van wijsheden zonder diepgang. Of was ik er niet bij?  

Ik snap niet meteen wat die wonden rond lever en milt met orgasme te maken heeft (Anke Schäfer), behalve dat ze niet goed werken als er emotioneel een en ander verkeerd loopt. Bij de ogen kan ik nog inkomen: dat je bij het “zien” uiterste gevoelens kunt opwekken, zoals “gekwetst ben ik van binnen.”  

Mag ik? Benzinedarm (Erik Snedsbol), onbegrijpelijk voor mijn “modern art “kennis. Duivenkot –vies – misschien met huidbesmeuring en duiven als zinnebeeld van het samenbrengen van geest en lichaam (Zhang Huan). De dame (Anne-Mie Van Kerckhoven) met het boek was voor mij het beste. De contrabas ( Joëlle Léandre) geeft mij  innerlijke vibraties die door merg en been kunnen snijden. De dansende woorden (Charles Sandison) vond ik zeer mooi, technisch schitterend en emotioneel aan het vel plakkend.  

“Kunst is dat, wat mooi is” hoorde ik vanmorgen. Echte kunst is wat je “raakt” en is “subliem.” Dit was iets anders dan “mooi.” Het is iets waar je vanop afstand naar kijkt. Je bewondert de techniciteit, maar dat raakt me niet persoonlijk.  

Lydie Lequeux
29.05.2005

Tussen pseudo-filosofie en toevalligheid.  

  Is het verklarende en kritische discours rond de hedendaagse beeldende kunst op meer gebaseerd dan op vage filosofische zinsneden en gedachten? Het is een vraag die ik mij al jaren oprecht stel. Steeds weer raak ik ontgoocheld door wat er over en rondom tentoonstellingen voor beeldende kunst te lezen is. In catalogi, inleidingen, lezingen, recensies, en heel vaak ook in de tentoonstellingen zelf, vind ik niet zo makkelijk op een bevredigende wijze toegang tot een wereld die zich bij voorkeur hult in abstractie en speculatie.

   Mijn indruk na een bezoek aan de tentoonstelling in het Brugse Belfort met de raadselachtige titel ‘Tussen huid en orgasme’ heeft daar weinig verandering in gebracht. Ik kan niet begrijpen wat de link is tussen de term ‘alchemistisch’ die men te pas en te onpas als verklarende strategie gebruikt m.b.t. de opbouw van de tentoonstelling, en de aard van de beeldende kunst zelf die wordt getoond. Evenmin begrijp ik de noodzaak van het gebruik van nietszeggende begrippen als ‘identiteit’, ‘transformatie’, ‘instrumentalis’, ‘terminalis’ bij de indeling van een reeks beelden.

  Wat beeldende kunst voor mij interessant maakt, is niet het filosofische surplus dat het mij biedt (daar zijn talloze andere en betere middelen voor), ook niet zozeer de sfeer die ze oproept of het statement dat eraan toegekend wordt, voor mij gaat het precies over hetgeen ik NIET herken in wat mij wordt getoond. Zoals een persoon in nooit eerder geziene kledij mijn aandacht trekt, zo gaan mijn ogen ook meer open als een werk mij op een of andere manier verrast, uitdrukkelijk uit het keurslijf van een tentoonstelling, een filosofisch discours of een plastische benadering breekt. Tegelijk is het zinloos om te willen achterhalen waaróm iets mij precies verrast. Op welk praktisch niveau de ontbrekende link zich situeert, doet er nu juist op een beschouwelijke schaal niet toe.

  Mijn appreciërend vermogen m.b.t. de beeldende kunst kan dus sterk afhankelijk zijn van toevallige factoren, maar ook van de onwrikbare psychische structuren die ik als mens met mij meedraag of van een situationele prikkel. Als beeldende kunst mij vanuit haar afstandelijke positie raakt (bij podiumkunsten en literatuur wordt er naar mijn gevoel steeds meer geïnvesteerd in de persoonlijke band tussen toeschouwer en werk), gebeurt dat langs een weg die ik zelf het minst voorzie en het minst bespreekbaar acht.

  Die sprakeloosheid was bij ‘tussen huis en orgasme’ niet aan de orde. Het heeft dan ook, met de kans op nóg een pseudo-filosofisch artikel, weinig zin om aan elk werk afzonderlijk een verstandige bespreking te wijden. Er was voor mij op de tentoonstelling niets te zien dat mij uit mijn evenwicht heeft gebracht, dat ik om puur esthetische redenen erg kon smaken, dat mij jaloers heeft gemaakt of iets nog veel ingrijpender. Laat dat volstaan.  

Niko Hafkenscheid
22.05.2005