|
|
Naar aanleiding van andere presentaties van dit programma, werden teksten
toegevoegd.
Het Intro en Brief aan Brueghel voor Heestert: op 23.04.2005
INTRO
Toen Isabella in juli 1604
na 4 jaar
eindelijk haar grijsgeel ondergoed afpeelde,
trok Albrecht maar héél even zijn neus op.
De geuzen waren met stille trom vertrokken naar Sluis
en de rekening van het Beleg van Oostende was2 keer 70.000 doden
en een halve borst.
En waarom?
Om land, om geloof, om rijkdom, om prestige,
voor de paapse zaak.
Of:
voor de vrijheid van keus, zegt de Geus
en slaat met zijn trommen tussen Nieuwpoort en Den Briel
Van Oostende was toen een eiland gemaakt,
omringd met zeewater en verdedigend water.
Omspoeld met bloed en zand.
Oostende is nu nog een schiereiland,
maar de toerist op het nieuwe strand weet niet
dat onder zijn voeten het hart van de oude stad klopt.
De zee beukt niet meer op het ritme van het beleg.
De stad is door een nieuwe Spanjaard geketend.
En waar duizenden jonge harten stopten,
staat nu een kursaal.
Want ook dat is Oostende.
We nemen je heel even mee,
langs hagenpreek en donderbus,
tussen 1550 en 1604
(André Baert
voor Heestert, 23.04.2005)
BRIEF AAN BRUEGHEL
Het stemt mij gelukkig, Meester,
te mogen naar voren halen,
dat gijzelf,
indien gij thans leefdet,
tot onze schaar zoudt hooren, … (p.40)
… Zij houdt van u, deze jeugd,
Meester Pieter,
- om het beste dat in u was:
de trouw aan uw herkomst,
die u voorwaar niet belet heeft,
de wereld te veroveren! (p.28)
Ik moet onthouden dat gij
tijdens uw aardschen omgang
wel een en ander
vanwege sommige broeders
te slikken hebt gekregen. (p.41)
Maar
De naam dien men u smalend gaf:
“Boeren-Brueghel”,
klinkt haar toe als uw schoonste eretitel.
Want zij ziet den boer staan aan het begin der tijden:
zij ontdekt hem aan ’t begin onzer volkswording:
een vorst te midden van de zijnen.
In de donkerste uren onzer geschiedenis
laat hij den ploeg los en grijpt naar ’t geweer.
Hij loopt storm op den Kasselberg;
hij rukt met zeis en roer in ’t veld
tegen den goddeloozen Franschman der Revolutie;
onder den machtigen Sint Romboutstoren te Mechelen
staat hij voor ’t strafpeleton van de Sansculotten,
en als de vliegende moordkogels langs hem heensuizen,
latend hem ongedeerd,
komt hij, recht en fier,
zijn borst bieden voor het doodelijke schot,
groot tot het einde
in zijn verknochtheid
aan Outer en Haard. (p.28)
De donkerte groeit.
Het moment is daar om de pen neer te leggen.
Nog één zinnetje,
ditmaal het slotzinnetje van mijn brief:
Goeden nacht,
Meester Pieter,
In uw eeuwigen, alles doorhelderenden Dag,
waar gij uw vrienden niet vergeet,
zooals ook zij u niet vergeten,
indachtig t’elken stond
uw moedige doen,
de onversaagde eerlijkheid
van uw wijs en wàrm hart. (p.47)
Brief aan Bruegel (1943)
Beperkt gedrukt in 1948
voor mevr M.Moens-Tas, Brussel
Red. André Baert
voor Heestert 23.04.2005 |