DENKTANK
|
||
|
|
Om een lang verhaal kort te maken:Na de wedstrijd Box 51 in Box 38 wordt met de opbrengst van de verkoop van die mooie dozen een fonds gemaakt voor een wedstrijd voor jonge beeldhouwers. Er wordt een locatie gefluisterd. De wedstrijd zelf is uiteraard bedoeld om een beeld te concipiëren dat op de leegstaande sokkel van het Kursaal Oostende zal komen te staan. Op het moment van het uitschrijven van de wedstrijd is niemand officieel op de hoogte gebracht van deze ingrijpende daad. Met niemand bedoel ik: niet de stad, noch Monumenten en Landschappen, (en waarom niet) ook de cultuurraad van Oostende niet, die – vergeten we niet – cultureel Oostende bijeenbrengt. Dat is fout één. Men probeert dit probleem te omzeilen door van elke kern één afvaardiging in de jury te steken. De provincie en Monumenten en Landschappen zijn fijn genoeg om daar niet op in te gaan. Oostende neemt – begrijpelijk – de houding van de gelukkige krijger. Het is niet omdat een stedelijke dienst haar brievenbus leent voor het vlotte verloop van een toch wel belangrijke manifestatie, dat daardoor de stad kant kiest. Twee: wanneer men wil overgaan tot het plaatsen van een monumentaal beeld op een beschermd monument, moet men met een grote deskundigheid te werk gaan: bestaat er misschien al een oorspronkelijk concept, kan dat wel, wie mag zich daar aan wagen en onder welke voorwaarden… Drie: je gooit een gebouw niet en nooit zomaar te grabbel. Een wedstrijd kan op twee manieren. Ofwel mag iedereen deelnemen en dan moet de winnaar zijn prijs krijgen. Mooi of niet. Ofwel maak je voordien een keuze uit kunstenaars die aangesproken worden om hun idee voor te stellen. Uit die sterke groep komt zeker een visionair werk. Een monument is het geheugen van de stad. De ganse heisa is uiteraard niet leuk voor de kunstenaar, ook niet voor de organisatie en zeker niet voor het imago van de deskundigheid die hier helemaal zoek was. In het diepste geheim hoop ik dat de serviceclub het geld zal gebruiken om mee aan de kar te duwen om het beeld van Cantré dat oorspronkelijk daar had moeten geplaatst worden, effectief daar te brengen. Dat zou pas een ‘service’ zijn. Aan alle CulturistenIk heb me in de pers de naam ‘culturist’ aangemeten. Omdat daarin dezelfde opgewektheid en ernst zit van bijvoorbeeld een folklorist. Dat is iemand die in naam van het volksgebruik en dus de levende geschiedenis de cultuur van de mens zowel bewaart als promoot. Ik vind het belangrijk dat het ‘optimistische’ karakter door u onthouden wordt. Ik durf zelfs te beweren dat de folklore van carnaval in Oostende eigenlijk een beschermd monument zou moeten zijn, omdat van James Ensor tot Hugo Claus, van de gebroeders Anthony tot Dirk Duchau, Kathy Goormachtigh en uiteraard Soenen, Verhaeghe en Poncelet precies daaruit de cultuur gepuurd hebben tot kunst. Dat betekent dat de fotograaf, de schilder en de schrijver het element folklore geïsoleerd hebben en omgezet tot de biografie van frustratie, maskeren, verbergen, eventjes geen pijn hebben. Dat is grote kunst. Waar een verkruimelende gevel beschermd wordt, moet ook de mens en zijn daden minstens diezelfde bescherming krijgen. Minstens al doorde cultuurraad Oostende. Maar hoe? Door optimistisch te denken. Ik heb het grote
voordeel het cultuurgebeuren in heel wat vakjes en stromingen te hebben mogen
observeren vanop de stoel van de culturist. Dat betekent: Ik bedoel maar: waar is het actueel optimisme? Hier. In uw kamer. Bij u. Mag ik het even van u lenen. Ik zou heel graag met een aantal denkers samen rond een tafel zitten. Denkers die op een bijna filosofische wijze de omschrijving van een openbaar monument mee willen hermaken, de inplanting, de toegevoegde waarde, de culturele uitstraling, de eigenheid van zo’n steenbrok of metaalboog. Denkers en optimisten die vanuit een tabula rasa wens een positieve lijst maken van wat goed is voor een stad en voor haar monumenten. Neem van mij aan dat het 3 à 4 aangename momenten moeten
zijn op een aangename en neutrale plaats waar we gedurende een paar uurtjes
even aangenaam proeven van wat eigenlijk al allemaal mooi in onze hersenmolen
zit. De wens goed te doen. De wens mooie dingen te tonen. Een concrete DenkTank:Zo’n denktank moet geen beslissende machten of volmachten hebben. Zo’n denktank moet attent, deskundig en communicatief zijn. Attent voor de mogelijkheden die zich aanbieden in bestaande beelden of bestaande locaties. Attent voor het advies dat hen gevraagd wordt of de gebeurtenissen die plaatsgrijpen. Attent ook voor de gebeurtenissen, exposities of misplaatsingen die plaatsgrijpen. Deskundig in de samenstelling en op de hoogte van zowel de heersenden visies, de besognes van de mens als cultuur participerend wezen en de actuele plaats van de kunstenaar met zijn vaak nog wankel statuut. Ten slotte en niet ten minste: communicatief in die zin dat ze actualiteit volgt en de accenten van de culturele actualiteit in haar periodieke samenkomsten kort aankaart. En ook communicatief naar het beleid en de pers met opbouwende en indien nodig adviserende of kritische berichtgeving. Het uiteindelijke doel moet zijn de aanwezigheid van die denktank in het lokaal cultureel leven, een aanspreekpunt voor de culturele mens, een democratisch steunpunt voor iedereen en in de pers. Het eerste doel van de denktank zou moeten zijn een afvaardiging zijn naar nog in te stellen Forum over – waarom niet – Het Beeld in een stad maakt een Beeld van een stad. André Baert |