Floris Jespers:
de metafoor van een tijdsclown

(waarbij clown de oermenselijke emoties uitbeeldt op vaak onechte gezichten)

 

Perstekst

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

De Nieuwe
ART-CAFE
is open
natuurlijke keuken, vegetarische dagschotel, democra-
tische prijs.

 

Een Museum is een Visie

Aansluitingen concipiëren. Positioneren in andere musea. Actualiseren of actueel houden. De historische context uitbouwen. Overzichtstentoonstellingen bouwen. Het zijn de slagzinnen van deze tijd, gekoppeld (noem het terugkoppelen, en je bent ‘in’) aan de kunsttaart. Het eigenaardige van de tentoonstelling Floris Jespers is dat je constant een gevoel van afpunten hebt. Zoiets als waar heb ik dat nog gezien, maar met de zekerheid – of op zijn minst de verre ervaring – dat het niet de originele staten zijn, maar verwerkingen van die periodieke grootheden in een eigentijds Jespers kleedje. Is hij dus een na-aper? Neen. Ik zou het liever zien als goed uitgewerkte zoektochten langs zoveel mogelijke expressies en er telkens iets persoonlijks mee maken. De grenzen van jezelf in het andere zoeken. En dat is precies de ware kracht van het werk van Floris Jespers. Hij speelt met de bestaande tendensen, vermengt uitgebeelde emoties tot vlakken waarin de figuratie altijd op het voorplan staat, maar waarin je tezelfdertijd zoveel referenties naar het andere vindt. Zoals de sluipgang van een nieuwsgierige adder tussen al dat moois waarvan telkens iets blijft kleven. Het wordt zo aanstekelijk en herhaaldelijk, dat het een eigen stijl geworden is. En op dat moment groeit hij weg van de tijdgenoten. Met uitzondering van de magie van Paul Joostens en de poëzie van Paul van Ostaijen. Samen zijn zij een soort rebellen waarvan één heel sterk zal uitstralen in de poëzie, terwijl Joostens en Jespers eigenlijk een sluiertip van de avant-garde zullen uitmaken. Heel even maar om dan te verglijden naar de korte degelijkheid van het moment: bewaard en in rekken gezet om meer plaats te geven aan de zware tenoren van de kleurexpressie.


copyright

Waar begint modern en eindigt postmodern?

Of moeten we de vraag omgekeerd stellen? Inderdaad: we komen weer bij dat ‘postmodernisme’. Strikt genomen betekent dat een afstand nemen van wat modern was tot en met de tweede wereldoorlog. In de stormloop naar nieuwe structuren na de oorlog ontstaat er een nieuwe soort moderne dat zich niet koppelen aan de oudere modernen. Vandaar postmodernisme en veel dé, ont, post, her,… prefixen die zeggen waartegen het gaat en wat het zou moeten worden. Ik denk dat niet iedereen het daar mee eens is. Modern is telkens opnieuw, wordt steeds herboren, is van alle minuten, seconden… In de tientallen boeken, websites worden de termen steeds opnieuw door elkaar gebruikt. Conservator Willy van den Bussche is geen echte vriend van de term postmodernisme. Hij groepeert zijn visie op de actuele moderne schilderkunst in de Visie-expositie ‘Modernism in painting’, waarbij meteen plaats is voor het populaire en het kitscherige dat in schitterende verftechnieken wordt gepresenteerd. Nu, ter zake. Het grappige is dat hij dus de term postmodernisme gebruikt voor Jespers, terwijl de naar mijn mening conservatiever ingestelde medeauteur Jean F. Buyck het bij modernist houdt want: nadruk op kleuren en vlakken, verdedigen van de traditie in schilderkunst, kritisch tegenover de maatschappij, … allemaal trefzekere eigenschappen die iets of iemand op zich modern maken. Taalverwarring alom.

Maar er is licht in het duister. Uit een lange inventarisatie (sinds 1989) en enkele retrospectieve tentoonstellingen (Antwerpen en Oostende) komt men eindelijk tot het inzicht dat hij een immens oeuvre bijeen geschilderd heeft waarvan nog niet alle nummers in kaart gezet zijn. En… nog niet alle musea hebben representatieve werken van Floris Jespers in hun bezit. Dhr Buyck leidt de verzamelde pers rond in een tentoonstelling die opgebouwd is uit drie hoofdstukken. Groot minder groot en klein. Zo eenvoudig gaat dat. Grote monumentale en spraakmakende werken in de ruime zalen, het wat kleinere werk, inde zijvleugels, en de vaak meest fascinerende kleinwerken in de keldergalerij. We hebben een paar zinflarden onthouden en onze impressies daarmee ‘versierd’.


copyright

Rondleiding langs nieuwe bekenden

Ik houd van indrukken. Mijn museumbezoek is altijd een reis door mijn fantasie. Staren naar mensen of kunst is kijken naar het schone. Bij Floris Jespers wandel ik rond met emmers vragen over zijn aanknopingen en de liefde voor de verf. Soms uitgeveegd, verdund en in één adem meteen versterkt door de manier waarmee de materie gebruikt wordt. De vrijheid van vormgeving en toepassing met één hand aan de figuratie, maar met een ondubbelzinnige figuratieve meeslependheid. De banaliteit van een fait d’hiver wordt uitgewerkt tot een compositie van kleur en vlak, waarbij zowel lichamelijke referenties (lichaamsvorm) als herschikken van de accenten centraal worden gezet.

De associatie van een vorm met zijn of haar realistisch tegenbeeld wordt tot een tableau herberekend en in een verhaal gegoten. Honfleur groeit uit haar schaduwen die schip, haven en vuurtoren compact verzamelen. Personages krijgen een logica van tegenstellingen in teder - eisend, man - vrouw, bleek - donker, naakt - gedekt.

Transparantie is heel belangrijk. Zowel door wegvegen als door een vervloeien van blauw naar groen als achtergrond voor een personage die in de kleuren ingekapseld is. Vast en toch zichtbaar, transparant als het ware. Zo’n inkapseling is fris en zelfs speels in een havenzicht uit 1928.

Erotiek is een aanleiding en dus cynisch in oogmarkeringen, ontastbare koelte en pertinente rondborstigheid. Een circus is een optocht van marginaliteit, van decorum. Levenslust is vaak weg of hooguit nog slechts een fractie van een glimp die meer vertelt over de pijn dan het voortbestaan dankzij zijn werklust. Hoewel: lust?

Jespers begint bij ‘de catastrofe’ van de eerste kamer waar je de associaties met Wouters, het proberen ergens bij te horen en de zweem rond Van Ostaijen de ingelepeld krijgt. Daarnaast onthoud je ook zijn tijd waarbinnen hij werkt en waaruit hij spatten opvangt. De gids van dienst legt zich in alle bochten om Jespers constant te verontschuldigen. Heel eigenaardig, gezien de kwaliteit van de tentoonstelling. Het zal met de gedrevenheid te maken hebben.

Tenslotte komen we allemaal uit op de zwerftochten door Afrika, die Floris Jespers tot een ongekend hoogtepunt gebracht hebben dat nadien nooit meer door anderen uit zijn tijd geëvenaard werd.


copyright

Achter de Kongolese schoonheid

Een moeilijk op te bouwen expositie omdat er zoveel variatie is, zoveel hoofdstukken die op een intens genietbare manier getoond moeten worden. Er was uiteraard weer de kritiek over veelheid, al begreep één bezoeker toch dat het kijken naar een werk eigenlijk een heel individuele zaak is. Wat naast het ene hangt zie je pas in de totaliteit van een paar stappen achteruit. De tentoonstelling is een samenstelling van ongeveer tweemaal driehonderd presentaties plus observaties. Nog even er aan herinneren dat eind januari 2005 de bibliotheek van het PMMK opengaat.

André Baert
26.12.2004