| Eric De Kuyper en Villa Zeelucht | ||
|
|
Eric De Kuyper heeft Oostende een ander beeld gegeven. Daarmee bedoel ik dat hij de stad niet verheerlijkt zoals een Karel Jonckheere dat deed, ook niet platwalst zoals Arno Hintjes dat doet in interviews waarin hij met pijn over zijn stad van toen praat. Ik stel me de vraag waar Peter Vanherseele Oostende inschat, of ’t is als decor voor de penis van Cowboy Henk terwijl hij eigenlijk altijd struikelt over het Hotel du Parc, Oxfam en de kringloopwinkel. Hij is meer op zichzelf dan in de stad. Eric De Kuyper wil de stad ook niet alleen beschrijven. Hij dankt nederig zijn Oostendse vrienden zoals Jan Tanghe (Villa Zeelucht, deel 4, p105: opgedragen vaan deze vriend). Eric De Kuyper heeft een flatje nabij de Wellingtonrenbaar en resideert dus bij tijden in de stad, staat steeds op de foto als er iets gered of iemand terechtgewezen moet worden. "Oostende is, volgens een reportage in de Independent on Sunday, een van de twaalf ten onrechte ‘vergeten badplaatsen’, een ietwat ingeslapen stadje dat, wanneer de zon eventjes schijnt, tot leven wordt gewekt door badgasten en wandelaars. Zo dacht ik er ook over, toen ik hier een paar jaar geleden mijn winterkwartier betrok. Maar wat blijkt? Rustig? Ingeslapen? Vergeet het maar! Het ene actiecomité volgt na het andere… Je weet trouwens niet wat je het meest moet vrezen: dat er een plan is of dat ieder plan ontbreekt. Hoe dan ook, je hebt er het raden naar, en steeds opnieuw wordt de Oostendenaar geconfronteerd met faits accomplis die de toekomst van de stad bepalen." " (p.119) Voor de rest heeft Oostende diepe sporen gelaten. Die lees ik in heel wat van zijn publicaties: zowel boek als artikel. Aan Zee, taferelen uit de kinderjaren (Sun, 1988) is alom gekend en staat bij velen naast Oostende Verteld in de boekenkast. "Dit is het begin" noteert hij in mijn exemplaar. Ook de weg naar is belangrijk. Zo staat in "De Hoed van Tante Jeannot" (Sun 1989) heel mooi beschreven hoe hij uit Brussel (zijn Brussel) naar de kust afdaalt: "Voorbij Brugge daalde er plotseling een geweldige rust over het landschap. De hemel werd steeds weidser en dijde uit om ruimte te maken voor de wind die van de zee kwam. De knotwilgen stonden nukkig en gebogen langs de wegen, beken en kanalen. De huisjes werden vrolijker met hun witgeverfde muren en hun rode dakpannen. Alles was blauw, wit, rood, en groen. Zo zou hij het vanavond, als hij thuis was bij tante Mimi, natekenen en kleuren." (p. 58) In 2004 publiceert hij Villa Zeelucht (Sun 2004). Een beeld op zeetoerisme, met zicht op Oostende. Hij kijkt fris naar de stad, eerlijker dan een Oostendenaar, overmoedig zelfs, teveel de buitenstaander om zonder tegenspraak door de belegerde stad aanvaard te worden. Zo is zijn relatie tot de stad er een die hem aanvankelijk de ruimte heeft om zijn ogen te vullen, inspiratie op te doen. Straten waar hij eenzaam mag zijn, ongekend. "Oostende was, vergeleken met Brussel, erg klein en snel in kaart gebracht. Wat overbleef was het dag na dag opsporen van de varianten en kleine wijzigingen in telkens dezelfde straten, op telkens dezelfde pleinen en dezelfde lege zeedijk. Het winterse Oostende bleef intrigeren. De zin en toedracht van deze ‘scènes de la vie de province’ bleven me ontgaan. Ik was telkens weer opgelucht wanneer ik terug mocht naar de grote stad Brussel; in de grote stad is iedereen min of meer een zonderling." (p.11) Dat wandelen in het onbekende is belangrijk: "Ik geloof dat ik nooit een goede onderzoeker of researcher ben geweest; ik verkoos te vinden, niet te zoeken. Zo gaat het ook altijd een beetje met mijn nieuwsgierigheid: mijn omgeving is ruimschoots in staat die te bevredigen. Ik houd ervan te flaneren door de straten die ik door en door denk te kennen, want ik weet dat ik toch telkens iets anders zal ontdekken. Het onbekende vinden in wat overbekend lijkt: daarin schuilt mijn genot." (p.101) Niemand wordt Oostendenaar. Je bent het. We kunnen er niet naast kijken: niemand wordt Oostendenaar. Je bent het. Verder gaat dat niet. "In het lokale jargon werden de seizoengangers ‘de vremden’ genoemd. Wanneer de vreemdelingen naar hun eigen contreien waren teruggegaan, viel de stad weer in handen van de autochtonen. Ze herschikten hun straten en winkels, hun stad en hun dagelijks leven. Bij de komst van ‘Het Seizoen’ brachten ze alles in gereedheid voor de ontvangst van de allochtonen. Zo ging het jaar in jaar uit in de ‘Koningin der Badsteden’, die nu ‘Stad aan Zee’ wordt genoemd. Een stad met verscheidene gezichten en dus vele maskers." (p.12) Dat Eric De Kuyper de stad begrijpt, leest men uit deze passage over Ensor die, neem dat van mij aan, stad geworden is: "Zijn hele leven lang droeg hij met zwier het masker van de gearriveerde bourgeois, baron en erkend kunstenaar over de grijns van de anarchistische artiest. Hij genoot van zijn roem en rustte op z’n lauweren. Af en toe beet hij van zich af. Zijn hele leven lang woonde hij in Oostende, de stad waarmee hij een haat-liefdeverhouding had." (p.13) Ik begrijp daar uit dat hij zelf heen en weer buigt tussen liefde en haat voor de stad aan zee waar het spookt: "Wanneer Spilliaert in de verleiding komt om maskers te schilderen, hebben ze meer weg van spoken en geesten, van ‘djinns’. Bij hem zijn het ongrijpbare wezens van wind, water en lucht." (p.14) En wie haar kunstenaars begrijpt, heeft de stad lief. Maar: "Oostende vertoont de gespletenheid van een badplaats die tegelijk een stad is. Bovendien is het een fin-de-siècle-stad die zich in der jaren vijftig en zestig van de twintigste eeuw met razernij stortte op de nieuwe vormen van toerisme. Het moest snel en goedkoop. Het mondaine maakte plaats voor Belgische kleinburgerlijkheid. De ruïnes van de Palace-hotels werden vervangen door ‘democratische’ flats. Zo woon ik op de plek waar ooit het grootste en meest exclusieve belle-époque-Palace-Hotel stond." (p.14) Enzovoort, enzovoort… In de stad stijgt langzaam het gevoel van onzekerheid dat door toeristische initiatieven ingedijkt wordt. Maar :"Oostende durft de dromen van Leopold II niet langer te dromen; Oostende wild de dromen dromen van de Costa Brava, van Miami, van La Grande Motte… Oostende is radeloos en weet niet wat het wil. Maar zoals de lente elke jaar opnieuw het zomerseizoen aankondigt, bengelt de stad voortdurend tussen verloedering en wilde vernieuwingsdrang." (p.15) "Het Oostendse leefklimaat wordt gekenmerkt door een steeds weerkerend ‘het was…’" (p.16) Dit zijn geen ontkennende of afbrekende woorden. Dit is het ongenoegen dat in principe eigen is aan de Oostendenaar die voor zijn stad vecht. Hij wordt Oostendenaar: "Mijn Oostendse kolere richtte zich voor de zoveelste keer tegen de mensen die na meer dan een eeuw praktijkervaring nog steeds niet begrepen dat toerisme in de eerste plaats iets te maken heeft met gastvrijheid." (p.28) Waarover gaat het? "Je sluit als toeristische plaats geen musea; als toeristische plaats ben je aan je gasten verplicht je musea open te houden…" (p.29) Hoofdmoot in die musea is Spilliaert waar Eric De Kuyper een zwak voor heeft: "De Belgische kust wordt (juist) gekenmerkt door de rechte lijn, die tot een luchtlijn wordt… en het is des te bewonderenswaardig dat Spilliaert – de schilder die de vluchtlijnen zo prachtig heeft uitgebeeld in zijn composities – het ‘afwijkende’ visuele patroon van de kust, met zeedijk, strand en zee, heeft weten te waarderen en er de inspiratie voor zijn schilderijen uit heeft geput." (p.34) Let wel: Belgische kust! Zoals het is maar zoals het vooral door Franstalige en Brusselaars wordt genoemd. Onze kostbare monumenten mogen geen lege dozen worden. Terwijl Eric De Kuyper de stad door het palet van de kunstenaar bekijkt, denkt hij ook sociaal en zoekt hij naar de binding tussen diverse culturele bezigheden om te komen tot een totaalbeeld. Eerst een drankje, dan een ticket kopen, dan een snack, een voorstukje, de hoofdfilm, doorzakken en bespreken en eventueel van je afdansen. "Een nagenoeg soortgelijk patroon tref ik aan bij museumbezoek of een bezoek aan een grote boekhandel. Kortom, elk specifiek kunst- en cultuuraanbod heeft de ambitie om in een netwerk te functioneren. Immers de bezoeker (of toeschouwer) is een veelzijdige virtuele consument, die aanhoudend en op zeer afwisselende manier in zijn functie van consument wordt aangesproken." (p.60) Hij nadert politieke manifesten: "Toeristische bedrijvigheid dient met een groot gevoel voor elegantie, stijl en esthetiek te worden uitgevoerd. In feite zou het een hyperverfijnde vorm van cultuur moeten zijn: perfect beschaafde omgangsvormen, waarin de kunst van de gastvrijheid even vanzelfsprekend als efficiënt wordt beoefend." (p.60) Een andere voorbeeld vindt hij in het Casino Kursaal: "In de opvatting van de architect moest het Casino een bijenkorf worden. Geen tempel voor de nacht alleen, maar een stad in de stad, waar dag en nacht iets te doen zou zijn. Hopelijk kan het gebouw, wanneer het in ere is hersteld, opnieuw die functie vervullen, want, zo wil de hedendaagse restauratiefilosofie het terecht: elk nieuw gerestaureerd gebouw moet een herbestemming krijgen. Onze kostbare monumenten mogen geen lege dozen worden." (p.129) Daarmee zijn we aan het initiatief dat Eric De Kuyper had voor het uiteinde van de Koninklijke Galerijen… "waarvoor ik een paar jaar geleden een door de Koning Boudewijn Stichting bekroond project heb ingediend. Hoe zit het daarmee?" (p.125) Zijn voorstel was het presenteren van films uit het filmarchief Brussel. "Het project kon niet doorgaan omdat er een breugheliaans themacafé (sic) in moes komen… niettegenstaande een verbod van Monumenten en Landschappen…" en ondertussen al verdwenen. Hij herinnert ons aan de grote en fijnzinnige waarde van urbanist Jan Tanghe in het stuk "Monumenten en Landschappen, kronieken en polemieken" dat hij als in memoriam Jan Tanghe publiceert. Een goed moment om ook af te geven op die andere architect-urbanist Van Reeth: p.114: ivm Marie-Joséplein: "Niet toevallig wend ik ostentatief mijn blik af van het nieuwe flatgebouw van bOb van Reeth, dat de pretentie heeft een strenge maar statige residentie te vervangen. p.135: ivm winkelpand in dat gebouw: "Ik kan me moeilijk voorstellen dat bOb van Reeth het als een specifiek postkantoor heeft ontworpen, want veel meer dan een achterkeuken waar activiteiten in verband met de post kunnen worden beoefend, is het niet." p.139: ivm de zeedijk: "En waarom zouden we, nu de Oostendse havengeul onder luid gejubel zo mooi is gemassacreerd (een economisch verantwoord ‘work in progress’), dan niet verder bouwen in de zee? Een beetje vertier midden op de golven met allerlei leuke Las Vegas- of Disney-achtige constructies, desnoods onder streng toezicht van bouwmeester bOb van Reeth, is toch aantrekkelijker voor het toerisme?" Een pleidooi voor stad en steen. Eric De Kuyper wil ook niet meteen de redder van ieder steen zijn. "Je kunt je niet interesseren voor hedendaagse architectuur en stedenbouwkunst zonder gelijktijdig kritisch en afkeurend te zijn. Je wordt nu eenmaal als burger opgezadeld met miskleunen die meestal langer meegaan dan een mensenleven. Ik ben een groot voorstander van afbraak. Er wordt ook veel afgebroken, maar helaas meestal de verkeerde gebouwen: de oudere en niet de nieuwere; of de waardevolle en niet de waardeloze." (p.108) Bewaren moet een meerwaarde hebben, maar: "Ik weet niet of het uiteindelijk aan baron Ensor te danken is dat de dokken niet allemaal zijn verdwenen; de restjes van wat ooit duinen waren, werden helaas in een reservaat ondergebracht." P.109) Hoe hij van Oostende houdt, staat duidelijk in dit fragment: "Nochtans bezit Oostende ook nu nog heel wat charme. Ik ben natuurlijk bevooroordeeld en daarom vraag ik geregeld aan buitenlandse vrienden en vriendinnen die hier op bezoek zijn, of ze dat ook aanvoelen. ‘Ja’, zeggen ze dan, ‘het is vreemd, maar deze stad heeft een zekere charme.’ (p.116) En wat denkt u van deze uitspraak: "De hang naar modernisme betekende gewoon een zoektocht naar stedelijkheid." En hij neemt een voorbeeld: "Ook de Normandische badstad wil per se geen (sissers)dorp zijn, want dat maakt het ‘mondaine leven’ dat onontbeerlijk lijkt te zijn voor de badstad, onmogelijk." (p.139) De monumenten moeten gerespecteerd worden. Maar daar mag het niet bij blijven. In de toespraak tot Monument en Landschappen somt hij tenslotte een aantal voorwaarden op voor de levende monumenten:
Van auteur over het Oostende uit zijn kinderjaren groeit hij uit tot een belezen en gemotiveerd auteur die zowel via filosoferen als reageren wil komen tot een stad met een visie. En is dat niet het sleutelwoord? André Baert
|