Warmte en Pijn
in de zwarte gestalten van
Armando

Permeke-
museum


Armando-
Museum


PMMK

Jabbeke 18 juni 2004 – In het Provinciaal Museum Constant Permeke loopt tot 3 oktober de tentoonstelling beelden van Armando (Amsterdam 1929). Dit is de tweede uit de reeks ‘Bij Constant Permeke te gast’. Johan Tahon ging hem vooraf en ik vermoed dat de mooie collectie van George Grard een paar jaar terug de aanloop tot die reeks moet zijn geweest.

Het is de eerste keer dat Armando in België getoond wordt. Nochtans zijn de beelden zo universeel duidelijk maar evenzeer dragers van een overvloedige verbazing voor de samengebundelde krachten van vorm en materie. Het is nog belangrijk te weten dat Armando aan zijn zestigste (Permeke aan zijn 50ste) met beeldhouwwerk begonnen is en dat de modellen gemaakt zijn vanuit tekeningen op schaal die in brons gegoten worden met de verloren-was-techniek. Permeke gebruikt een identieke techniek maar giet gips af. Het is pas na zijn overlijden dat de familie de prototypes in brons is beginnen gieten.

De kern van de werken – zo zegt conservator Willy van den Bussche – is terug te brengen tot de ervaringen omtrent het transitkamp van de Duitse bezetters in Amersfoort. Als kind heeft Armando daar de oorlog gehoord en zien verstarren in een komen en gaan van onschuldige gevangenen. Passanten die een (bijna) traumatische indruk nalaten waaruit hij sindsdien alle inspiratie haalt. Donkere gedachten, donkere kleuren, en als er al wat gekleurd wordt, monochroom pijnlijk. Dat betekent meteen dat deze gerenommeerde kunstenaar automatisch op zoek gaat naar de essenties van mens en plaats, van mens en tijd. En omdat de uiterlijke waarde van zijn beelden zo eenvoudig is, kan je hem gemakkelijk inpassen in de evoluties van CoBrA, de nul-groep en alles wat met het existentialisme te maken heeft. "Naar de diepte van het wezen gaan met een beeldentaal die expressionistisch is. Met die implicatie dat expressionisme van alle tijden is en dus een universele en historische plastische taal is."

Daar ligt de link naar Permeke. Bij beide kunstenaars staat de hand op een prominente plaats. "Waar Constant Permeke bijvoorbeeld de hand als metafoor voor werken, leven, zwoegen gebruikt, staat diezelfde hand bij Armando in het teken van het ‘zijn’, van ‘IS’." Of plastische mediteren rond het bestaan van een vorm. En zoals u weet zijn de beelden van Permeke gaaf eenvoudige en zeer expressief in hun gevoel. Bij Armando sta je meteen voor de duidelijkheid van de vorm. Een figuur is een gestalte. Een hond is een dier, een kom is een kom, een hand is een hand, een wiel een rad. En zoveel meer dat ook eerder in tekeningen en schilderijen werd getoond. Maar die eenvoud is opnieuw een metafoor voor de zeer complexe figuur van Armando. Snelle lezing van het interviewboek ‘Een Boom’ leert dat we hier te maken hebben met een culturele omnivoor: muzikant, beeldend kunstenaar, dichter, schrijver, reporter, filosoof, reiziger, ik neem er ‘overleveraar’ bij. Hij heeft de jeugdpijn van een oorlog overleefd. ‘Een Boom’ van J Heymans (De Prom 1999) is een zeer gevuld verslag van gesprekken met Armando en biedt veel meer dan een kijk op leven en werk. De hoofdzaak ligt bij het tekenen van een tijdsbeeld en een visie.

Voor alles is hij een milde intellectueel die zoekt naar bijvoorbeeld de schoonheid van de dood, want het mooie is altijd in het lelijke aanwezig. Alles heeft meerdere sporen. Zo is de ladder naast vorm en materie ook een instrument voor de verheffing. Is een schaal de urne voor assen en het wiel het optimisme van een mythisch zonnewiel. De autobiografie ligt in het blootleggen van de intense gedachten. De poëzie ontstaat uit dit duel tussen vorm en intentie. Eén passage uit ‘Een Boom’ over het bos van Amersfoort tijdens wereldoorlog 2 blijft: "Bossen die hebben zien gebeuren. Allerhande afgrijselijke wreedheden. Ten tijde van. Bomen die desondanks zo schaamteloos waren om gewoon door te groeien. Tot op de dag van vandaag. Ze verbloemen veel, zo niet alles. Hun schoonheid is niet pluis." (p.12).

Pijn. Gekneed klei wordt beeld. Wordt kleibeeld waarin de structuur en de behandeling van de edele aarde de kerngedachte van die pijn is. Vervorming tot wat een Keltisch veenlijk zou kunnen zijn omdat het veenlandschap van Drente het profiel is van de gedachten en de gebeurtenissen in en om Armando.  Wat bedoel ik daarmee: wanneer een kunstenaar zijn leefomgeving met de pijnen en de nostalgie gebruikt als ingredient - kleinschalig of doordrongen - voor zijn creaties, dan mag je je eigen fantasie of de filosofie die je je afvraagt bij die werken zo opwarem, dat de historische achtergrond en het artistieke nieuwe eigenlijk samenvloeien.  Er is van alles iets bijgebleven, zowel in omvang als in tijdsduur.  Een veenlijk is een homp en is dus een gestalte die verval wil zijn.  En in een prozastuk sublimeert hij dat verval als volgt: "Maar hij (de kunstenaar) hield niet van ze, nee, hij hield niet van ze. Waarschijnlijk hadden ze te veel van’m gevergd." (p.14)

De catalogus tenslotte ( Foto’s Hugo Maertens en druk Sintjoris uit Merendree) toont op een prachtige wijze de plaats van die geladen werken in de tuin en het atelier van Permeke. In confrontatie en aanvullend. De fotograaf weet warmte te geven aan de zwarte hompen gestalten, figuren, verwijzingen. En ook dat is kunst.

André Baert
18.06.2004